Tussen twee muren naar het eiland
Stef Steneker


Zomer 1969 stapten wij op de boot naar Schiermonnikoog in Oostmahorn, een vissersdorpje aan de Friese Lauwerszeekust. Op Schiermonnikoog hadden mijn ouders een zomerhuis. Ter voorbereiding had, zoals elk jaar, al weken een hutkoffer in de gang gestaan, om volgepropt met bedden- en ander goed vooruit te sturen. 


Hoe voller de kist, hoe koortsachtiger mijn voorpret. Spraken mijn ouders over de reis naar Schier, dan vielen er winderige plaatsnamen als Zoutkamp en Oostmahorn. Lauwersoog bestond voor de badgasten nog niet, het was het werkeiland voor de nieuwe afsluitdijk. De Lauwerszee was eind mei een meer geworden. Op 23 mei sloot een caisson het laatste gat in de dijk. Er stroomde nog zeewater door en op 24 mei gingen de kleppen dicht. De veerboot vertrok die zomer nog uit Oostmahorn. Voor het laatst.

We reisden per trein naar Buitenpost en per taxi of fiets naar Zoutkamp. Daar vertrok een schip naar Oostmahorn. Daar lag een reddingsboot en de veerboot. We stapten er over van schip naar schip. Ik herinner me een natte kade, regen, wind, druipende jassen waaronder benen, een bedompte kajuit, nog meer benen.

Die dag in 1969 regende het niet. Toen de boot de drie spuisluizen op de Fries-Groningse grens naderde, stond ik met mijn vader aan dek. We voeren naar de schutsluis. Mijn vader zei: "Let maar goed op, we gaan door de sluis. Dit is de laatste keer dat we uit Oostmahorn vertrekken. Volgende keer vertrekt de boot hier, uit Lauwersoog". Ik lette goed op. We voeren de engte tussen twee hoge muren in.

Mijn vader vertelde dat hij als jongetje van mijn leeftijd met zijn ouders bij de Oude Steiger op het eiland aankwam. Bij heel laag water kon de boot er niet komen en werd mijn vader door kerels uit de boot in een kar getild, die door paarden over het wad naar de steiger werd gesjord.

Vaders vertellen altijd over vroeger. Als we nu naar Schiermonnikoog reizen, vertel ik mijn kinderen over de zomer van 1969, en dat ik net als zij naar de sluisdeuren opkeek en dat opa zei dat ik goed moest opletten. Dat het de laatste keer was dat we uit Oostmahorn vertrokken. Tot vandaag dan. Sinds een paar jaar vertrekt een waterbus uit Esonstad, een bij Oostmahorn gebouwd toeristendorp. Het is een nagemaakt 17e eeuws IJsselmeerdorp met trap- en klokgevels. Er huizen eigenaren van dure jachten. Tientallen bungalows vormen de buitenwijken. Oostmahorn is opgeslokt. Maar de steiger waar de boot afvaart, lijkt oud. Zou het dezelfde zijn als in 1969?

We staan op de voorplecht. De boot pruttelt over het Lauwersmeer. De vroegere wadplaten overvloeden niet meer. Rietkragen en wilgenbosjes waaien in de wind.

De schutsluis bedient vooral pleziervaartuigen. En vissen, gezien de duikende futen en aalscholvers voor de sluisdeuren. Na een tijd varen we de twee muren binnen. Als onze boeg bijna tegen de sluisdeur botst, kan de ophaalbrug achter de mast naar beneden. het past allemaal maar net. De muren zijn lager dan ik me herinner, maar vlakbij en hoog genoeg voor een beklemmend gevoel. De dieselrook vormt een wolk die tussen de sluismuren blijft hangen. Gorgelend tilt het instromende zeewater ons op - anderhalve meter, het is vloed op de wadden. Na de doorgang moeten we tanken. We zijn al drie kwartier onderweg als de boot er vaart achter zet en in twintig minuten de Waddenzee over spuit.