Trappisten en Cisterciënzers
Hilbert G. de Vries


Het christendom kent vanaf het begin mannen (en vrouwen) die een leven wilden leiden dat volledig aan God was gewijd en die zich daarom uitsluitend bezighielden met het lezen van de bijbel en met gebed. In de oudste periode waren het veelal mensen die in afzondering wilden leven - vooral in Egypte, in de woestijngebieden. Later volgden de kloosters waarin monniken samen gingen leven.


Kloosters

Het eerste klooster werd in de vierde eeuw gesticht: afzonderlijk levende mannen (monniken) gingen in een ommuurde ruimte tezamen wonen en eten en begonnen een gemeenschappelijk en deugdzaam leven, zich houdend aan gemeenschappelijke regels - de kloosterregel.

Vanaf die tijd kwamen er ook in het westen (Frankrijk, Italië en later Engeland en Ierland) kloosters tot stand. Een belangrijke kloosterregel werd in het begin van de zesde eeuw geschreven door Benedictus van Nursia. Ook andere regels werden geschreven en ten gevolge hiervan ontstonden verschillende kloosterordes. Voorbeelden van kloosterordes zijn Benedictijnen, Kartuizers, Karmelieten, Augustijnen, Norbertijnen, Dominicanen, Kapucijnen. De orde van de Cisterciënzers volgde (en volgt) de regel van Benedictus.

Vanuit Citeaux werden andere cisterciënzer kloosters gesticht, niet alleen in Frankrijk, maar ook daarbuiten. In de cisterciënzer orde neemt de abt (het hoofd van een klooster) van Citeaux een belangrijke plaats in, maar het hoogste gezag in de orde werd (en wordt) toch feitelijk gevormd door het Generaal Kapittel, samengesteld uit de abten van alle cisterciënzer kloosters.

Cisterciënzerkloosters werden veelal gesticht op afgelegen plaatsen; men hield zich veel bezig met landbouw en ontginning - dit werd veelal door de conversen (lekenbroeders) gedaan: kloosterlingen die wel de gelofte van de orde hebben afgelegd, maar niet de religieuze wijdingen hebben ontvangen.

Het eerste cisterciënzerklooster in Nederland was het in 1165 gestichte 'Klaarkamp' bij Rinsumageest bij Dokkum (Afbeelding onder: maquette van het klooster). Het klooster was 'het meeste ende het grootste van alle cloisteren, wel begraven mit wyden graften'. Dit schreef een spion omstreeks 1468, toen hij Friesland verkende voor de graaf van Holland.

Later werden vanuit Klaarkamp weer dochterkloosters gesticht: Bloemkamp in Hartwerd bij Bolsward, Sint Bernardus in Aduard en klooster Jeruzalem in Gerkesklooster. In heel Nederland waren in de Middeleeuwen 34 cisterciënzerkloosters; tijdens de Reformatie werden ze echter allemaal verwoest of verkocht.

Ook vanuit Klaarkamp werd aan landbouw gedaan en er zal ook gewerkt zijn aan een betere zeewering. Men zal toen op een gegeven moment ontdekt hebben dat er een eiland lag ten noorden van de zeedijk en men is daar eens een kijkje gaan nemen. Het was toen waarschijnlijk nog goed bereikbaar te voet vanaf het vasteland. De monniken zullen kleinschalige landbouw op het eiland hebben bedreven, maar vermoedelijk hadden ze ook inkomsten van jutterij: strandvondsten die aanspoelden.

Wanneer de monniken van Klaarkamp dit eiland, een zogeheten uithof, voor het eerst hebben betreden is niet duidelijk. De enige aanwijzing wordt gegeven in een oorkonde van 1465 van David van Bourgondië, waarin vermeld wordt dat Schiermonnikoog 'van een tijd, aller mensen heugenis te boven gaande' aan de abt en de gemeenschap van het klooster Klaarkamp toebehoorde. Dat het er weinig waren staat wel vast. Dus de monniken waarna Schiermonnikoog is genoemd waren Cisterciënzers.

Bij de Reformatie in 1580 werden de kloosters in Friesland ontmanteld en kwamen de bezittingen van de kloosters in handen van de Staten van Friesland, ook het eiland Schiermonnikoog.

Er waren ook Cisterciënzers die vonden dat de regels waaraan zij zich moesten houden niet ver genoeg gingen en zij stichtten een nieuwe orde, die zich aan strengere regels hield. Deze monniken van de strikte observantie (is het naleven van een orderegel) werden naar het klooster waar deze orde aan het eind van de 18e eeuw ontstond - La Trappe in Normandië - Trappisten genoemd. Dus: Alle Trappisten zijn Cisterciënzers, maar niet alle Cisterciënzers zijn Trappisten.

De orde kende in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw een grote bloei; de grootste winst boekte de orde rond 1950). 

Zoals gezegd waren de Cisterciënzers tijdens de Reformatie uit Nederland verdwenen, maar in 1846 keerden ze weer terug. Toen werd vanuit Westmalle in België een klooster gesticht in Achel. In 1883 werd vanuit Achel het klooster Sion te Diepenveen gesticht, dat in 1934 de status van abdij kreeg.
(Foto onder: Klooster Sion bij Diepenveen)

In het vierde kwart van de 20ste eeuw moest de uitbreiding van het personeelsbestand (van de Strikte Observatie) plaats maken voor een omgekeerde ontwikkeling. 'De daling van het ledental in aanmerking genomen, is het des te opvallender dat het aantal huizen gedurende de laatste halve eeuw enorm gegroeid is (...). De verklaring ligt in de sterke afname van de omvang van de gemiddelde communiteit. tegenwoordig teklt de doorsnee gemeenschap circa 25 personen, minder dan de helft van wat het in vroeger dagen was'.

Zo werd het klooster Sion dus te groot voor het aantal monniken dat er woonde en besloot men om om te zien naar een andere locatie. En dat werd Schiermonnikoog!

>  Zie ook 'Monniken terug op het eiland'. Klik hier.