Monnik in de westenwind
Bron: 'De Limburger' - mei 2017


Voor het eerst in vier eeuwen zijn de cisterciënzer monniken terug op het eiland dat zijn naam aan hen ontleent: Schiermonnikoog. De oudste is broeder Paulus, geboren en getogen in Zuid-Limburg. In zijn leven is hij vaak gekweld door twijfels, zelfs als kloosterling blijft hij zoekende. De straffe westenwind trotserend doet de monnik zijn best om in het uiterste noorden van Nederland grond onder zijn voeten te krijgen. "Hier ben ik alleen op de wereld. Maar met God".


Het begint al tijdens de boottocht op de Waddenzee.  Een stap op het dek en je adem stokt door de wind. Woeste vlagen doen je haren wapperen, golven onder het schip maken je benen onstandvastig. Overgeleverd aan de elementen. Dat is wat de eilanders gewoon zijn. Op windstille dagen voelen zij zich ongemakkelijk en missen ze de wind. Wind hoort bij het eiland.

Hier ben je los van de wereld
Als ik naar het huisje van de monniken loop, valt op hoe stil het is. Schiermonnikoog is autoluw en daardoor kan het zijn dat je zelfs midden in het dorp slechts het geluid van je eigen voetstappen hoort. Het eiland is eigenlijk ook een soort klooster, vindt broeder Paulus (66). Begrensd door de zee. Hier ben je los van de rest van de wereld. Nog voor ik het pad van het huis van de monniken kan oplopen, zwaait de deur al open en wacht broeder Paulus me vriendelijk lachend op. Hij gaat voor naar een kleine en nogal sober ingerichte ontvangstkamer. Aan de muur hangen een kroon en een stilleven van een kommetje, geschilderd door mede-broeder Vincencius, een verdienstelijk iconenschilder. Deze kamer was ooit een kapsalon. 

Woning in het dorp
De woning is midden in het dorp gelegen. De ruimte is er net zo groot als de helft van de eetzaal die ze hadden in de abdij in de bossen van Diepenveen, waar ze zich alweer maanden geleden voor het laatst de poort achter zich dichttrokken. Daar hadden ze zo'n honderd meter tussen hun afzonderlijke 'cellen'.  Hier, op het eiland, zijn de muren tussen hun slaapkamers flinterdun en kunnen ze elkaars gesnurk horen. Meer dan ooit zijn de broeders teruggeworpen op elkaar.

Verhuizing naar Schiermonnikoog
De verhuizing op 29 december 2015, is tamelijk traumatisch. In het holst van de koude nacht. Broeder Paulus moet huilen. "Het was alsof we werden ontvoerd". De abdij van Sion is waar de cisterciënzer monniken al sinds 1884 wonen. Weliswaar afgezonderd in de bossen, maar toch diep veranderd in de gemeenschap van Diepenveen. In de hoogtijdagen wonen er zo'n zestig monniken in het klooster. Op het laatste zijn er nog zo'n achttien over.

Als de telefoon gaat, is de portierbroeder lang aan het dwalen door de gangen om de monnik te vinden voor wie werd gebeld. Het klooster is simpelweg te groot geworden. De abt komt met een plan om het klooster te verkopen. En daarna te verhuizen naar Schiermonnikoog. Het eiland dat hun broeders vierhonderd jaar geleden moesten verlaten. Zo'n prachtplek zou bovendien nieuwe monniken kunnen aantrekken, het zou nieuw leven betekenen.

Maar broeder Paulus ziet het niet zitten. Helemaal niet. Hij is na vijftien jaar eindelijk geaard in het klooster, na jaren geplaagd te zijn door twijfels. Hij voelt dat hij nu, als zestiger, eindelijk volwassen is geworden. Geen onrust meer in zijn lijf. Dit was de plek waar hij was ingetreden voor de rest van zijn leven. Waarom zou hij dan kiezen voor dit ongewisse avontuur?

Ik voelde dat er meer was
Ad van Bavel, zoals de broeder voor zijn kloostertijd heette, was eigenlijk nog heel jong toen hij het dacht te weten. Het was de tijd van 'het rijke roomsche leven' in Limburg. Hij werd geboren in Maastricht, maar omdat zijn vader in het hoofdkantoor van de stadsmijnen werkte, verhuisde het gezin naar Hoensbroek. 

"Als kind kon ik dat natuurlijk niet zo goed uitdrukken, maar ik voelde dat er meer was. Ik was misdienaar en voelde me thuis in de liturgische diensten. Wat er ook aan heeft bijgedragen, is een ernstig ongeluk dat ik op mijn achtste kreeg. Ik zat achterop de scooter bij mijn vader, toen we in Valkenburg werden gegrepen door een auto. Ik heb drie weken in coma gelegen, had botbreuken en hersenletsel. In Hoensbroek hebben ze zelfs nog negen dagen novenen voor me gebeden in de Maria-grot. Ik lag in het oude ziekenhuis van Heerlen en werd verzorgd door de nonnen. Ik denk dat dit heeft bijgedragen aan mijn roeping".

Op zijn elfde ging hij al naar het kleinseminarie van de paters  monfortanen in Schimmert. "Toch was ik er niet aan toe. Mijn studie mislukte, het interesseerde me niet meer. Ik kon na mijn ziekte geen aansluiting meer vinden bij leeftijdgenoten en raakte in een sociaal isolement. Het waren de jaren zestig en ik besloot weer thuis te gaan wonen in Hoensbroek. Ik wist een hele tijd niet wat ik wilde met mijn leven. Waarom had ik dat ongeluk overleefd?" De twintiger vervulde zijn dienstplicht en kreeg een baan bij de afdeling woninginrichting van de V&D in Heerlen. Hij werkte een tijd in de verpleging in Amsterdam en Nijmegen. Zinvol werk zou je denken. Toch voelde dat voor Van Bavel niet zo. Het gevoel dat iets in zijn leven ontbreekt, bleef aan hem knagen.

Israël
"Met mijn vader bezocht ik het klooster in Valkenburg waar de zusters zich hadden overgegeven aan het geloof. Het kloosterleven bleef trekken, maar ik was er blijkbaar nog niet aan toe". Wel zegde hij op zijn 24e zijn baan op. Het waren de jaren zeventig en Van Bavel ging werken in een kibboets. "In het land van Jezus". Heel blij was hij in Israël. "Een ontzettend mooi land! Ik ging overal heen, waar Jezus Christus ook was geweest. Jeruzalem, Nazareth, het meer van Galilea. Na enkele maanden kwam er een brief van mijn moeder". "Kom maar weer eens terug naar Nederland", schreef ze.  "Je moet ook aan je toekomst denken". "Ik zag dat zelf ook wel in. In Nazareth ontmoette ik echter een christen, die me uitnodigde in Deir Hannah, waar een klein klooster stond. Een hele klim. Maar daar bovenop de berg met uitzicht op het meer van Galilea, voelde ik dat ik was waar ik moest zijn. Er woonde een priester uit de abdij van Zundert samen met een Amerikaanse monnik. De gebedsdiensten werden gehouden in een grot. Daar sprak God tot me". Dus ging er een brief terug naar Hoensbroek: Ad van Bavel blijft nog even.

Terug naar Schiermonnikoog
Het is nogal een happening; de monniken na vierhonderd jaar weer terug op Schiermonnikoog. Ook al zijn het er uiteindelijk maar vier. De oudsten van de groep gaan naar het moederhuis in Westmalle omdat een verhuizing naar een nog onzekere bestemming de bejaarde monniken veel stress zou geven. Broeder Paulus pakt de spullen van zijn cel in een doos. Ja, het is verdrietig maar er is hoop. Het hele eilandplan heeft hem alsnog enthousiast gemaakt. Elke monnik is vooraf op proef naar Schiermonnikoog geweest. "Alleen, om het eiland te verkennen. Na de eerste boot was ik al gewonnen. Het is heel ander terrein dan de bossen, maar zeker zo prachtig. Ik geniet van de stilte, de golven. Ik kijk naar de vogels en soms zie ik een zeehond. De luchten zijn prachtig en overweldigend. Ik voel mijn eigen kleinheid en de grootsheid van God. Ik ben alleen op de wereld, maar met God".

Het vakantiehuis naast de kapsalon is dus klein voor vijf permanente bewoners. En waar ze eerst zestig hectare land om het klooster hadden, met grasvelden waar broeder Paulus wekelijks twee dagen met de maaimachine overheen moest, hebben de monniken nu een tuintje van twee vierkante meter. Hij heeft ineens een zee van tijd. Rond etenstijd zitten ze met z'n vijven aan de keukentafel. De broeders leven niet meer langs elkaar heen, maar samen. 

Ze voeren sinds het eerst sinds jaren diepzinnige gesprekken. Ze zijn een hechte groep, dat moet je natuurlijk maar net treffen. "We worden gecoacht door iemand van het vaste land, met wie we spreken over onze diepste zielenroerselen. Dit doen we al sinds een jaar of drie, sinds de verhuisplannen gingen spelen. We zijn allemaal nogal verschillend als mens. En dan heb je ook nog een Fries en een Limburger, maar het gaat goed. Misschien moesten we juist daarom op een eiland leven. We zijn eensgezind in de keuze om te blijven". 

Zundert
Terug naar de tijd in Jezus' land. Het was er heel stil bovenop de berg. De jonge Limburger kon er blijven door wat werk op het land te verzetten. Het jaar was echter amper om of de onrust sloeg wederom toe. "Ik kreeg heimwee, hoe mooi het daar ook was. Ik vroeg me ook af of Israël, gezien de militaire situatie in het land, wel een geschikte plek was voor een monnik. In het vliegtuig terug naar Nederland keek ik uit het raampje en zag zo Israël steeds kleiner worden. Van weemoed moest ik wel een traan laten". Ad van Bavel werd gedoopt tot Paulus, vernoemd naar een vriend van zijn vader, een karmeliet in Brazilië. Hij was 26 jaar toen hij intrad in het klooster van Zundert. "Zo jong inderdaad. Nu moet je toch minstens veertig jaar zijn en een beroep hebben uitgeoefend. Want het is niet eenvoudig; je besluit alleen door het leven te gaan. Maar het voelde goed. Ik deed werk op het boerenland, zorgde voor de kalfjes, was portier. Toen sloeg na vijftien jaar de twijfel weer helemaal toe"

Diepenveen
Broeder Paulus werd verliefd. Het was een vrouw uit het dorp, die vaker aan de poort kwam. De liefde was nog wederzijds ook. Wederom maakte de monnik een ingrijpende keuze, hij verliet het klooster en ging samenwonen. Na drie jaar liep de relatie stuk. "Al na drie weken werd ik zwetend wakker. Het liefst was ik kruipend terug naar het klooster gegaan. Na een paar jaar voelde ik me in mijn hart nog steeds monnik. Met wederzijds goedvinden zijn we uit elkaar gegaan en heb ik weer bij het klooster aangeklopt. Het leek me beter om dat op een andere plek te doen. Dat werd Diepenveen"

"Kijk, daar wonen de monniken"
Omdat ze op Schiermonnikoog in het dorp wonen, is het vrij lastig een teruggetrokken bestaan te leiden, zeker gezien hun opvallende verschijning. Zodra een van de broeders een stap buiten de deur zet, wordt hij gezien. Een van hen ziet zelfs dat een van de eilandgidsen naar hun huis wijst bij een rondleiding. "Kijk, daar wonen de monniken". De broeders verschuilen zich dan het liefst achter de gordijnen; ze zijn die aandacht helemaal niet gewend. Ineens zijn ze een soort toeristische attractie. "Als ik naar de Spar ga, word ik weleens gevraagd of ik op de foto wil. Ik doe dat dan wel; ik wil ook niet onvriendelijk zijn. Maar als ik naar het strand ga, doe ik dat in mijn burgerkleren. Daar wil ik met rust gelaten worden".

Bouwplan klooster
De eilanders ontvangen de monniken hartelijk. De naam van het eiland, de naam van de plaatselijke voetbalclub, het standbeeld in het dorp; alles verwijst naar de eerste bewoners. Als de monniken hun plan ontvouwen voor de bouw van een klooster in een natuurgebied, wordt dat aanvankelijk goed ontvangen. Maar dan komen de roddels. Vragen ook. Zijn monniken geen bescheiden mensen die weinig ruimte nodig hebben? Waarom mogen monniken wel bouwen in de natuur? De verdeeldheid die het plan in het dorp veroorzaakt, is het laatste dat de monniken willen. Ze laten het plan varen. "Veel mensen hier dachten, dan zullen die monniken wel vertrekken. Nou, we kunnen wel tegen een stootje"

Opnieuw beginnen
Broeder Paulus moest in Diepenveen weer helemaal opnieuw beginnen. Opnieuw de gelofte afleggen, opnieuw de novice zijn. De eerste keer zijn de eerste maanden heel troostrijk. Daarna wordt alles gewoon en kom je anderen tegen, maar vooral jezelf. De tweede keer wist ik al wat me te wachten stond en sloeg ik de verliefde fase over. Het werd heel donker in me. Ik miste Zundert, de Brabantse gemoedelijkheid. Ik voelde ook de twijfel bij de andere monniken, al werd ik goed opgenomen.  De eerste jaren in Diepenveen waren de moeilijkste uit het leven van Broeder Paulus. Hij ging praten met een psycholoog, iemand van buiten het klooster. Het werd hem duidelijk dat hij het isolement uit zijn puberteit niet goed had verwerkt. En toen wist hij dat hij hier moest zijn. De onrust ebde weg.

Komt er een klooster?
Weer zijn dingen onzeker op Schiermonnikoog. Komt er een klooster of blijven de mannen in hun vakantiehuis? Ze voelen zich ondanks de tegenslag nog steeds welkom. Ze houden diensten in een kapel bij de duinen, waar voornamelijk toeristen op afkomen. Eens per week krijgen de broeders zangles van een lerares uit Groningen. "Kwart over vier 's nachts staan we op voor het eerste gebed. Dan ben je nog open en transparant voor het woord van God. Daarom zingen monniken in het donker naar het licht toe. Maar ja, onze samenzang is ook aan slijtage onderhevig. En monniken zijn ook maar mensen, wij kunnen ons ook aan anderen ergeren. Natuurlijk staat het gebed op de eerste plaats, maar er mag ook wel mooi gezongen worden"

Nietig
Wie had dat gedacht, een Limburgse met liefde voor heuvels en bossen, die zijn plaats vindt op de Wadden. Het eiland heeft hem in anderhalf jaar tijd ook dingen geleerd over zijn nieuwe leven. "Als ik aan zee sta, voel ik me nietig. Ook bang soms. Die grote zee kan mij zomaar verzwelgen. Soms loop ik langs de branding in dichte mist. Iets dat zelfs de eilanders nooit zullen doen. Je ziet niets, je hoort niets, buiten de meeuwen of het klotsen van het water. Ik laat mij leiden door mijn voetstappen. Een mobieltje heb ik niet bij me. Ik stap door. Omdat ik het vertrouwen heb, dat ik er altijd weer uit kom"


home - naar het volgende verhaal - terug naar overzicht verhalen