Kerstverhaal & Ketelmannen
Elso Vos


Het was bitterkoud. Een ijzig snerpende oostenwind jong meedogenloos door de haven van Lauwersoog. We waren met de trein naar Groningen gereisd en gingen daarna met lijnbus 163 naar de veerhaven. 


We hadden besloten om met een aantal familieleden en vrienden naar Schiermonnikoog te gaan met de kerstdagen. Dat zouden we wel overleven, want ooit had mijn vader een los open haardje gekocht voor ons vakantiehuis. Dit kacheltje stond in de kleine woonkamer. De vier slaapkamertjes werden indien nodig wat bij verwarmd met een elektrisch kacheltje. Het was passen en meten want we waren met twaalf personen, volwassenen, kinderen en kleinkinderen.

De tocht over het wad was koud. De zee tooide zich met sluiers van mist. Het was al tegen de avond en het water rond de veerboot lichtte op. Het was een mysterieus gezicht, veroorzaakt door micro-organismen. Wie het gezien heeft vergeet het niet meer want het is altijd een fascinerende aanblik. De kinderen keken naar de hekgolven van het schip en raakten er opgewonden van. "Hoe komt dat opa?" Ik probeerde het uit te leggen, maar het lukte niet erg goed. Diertjes die licht geven. Nou nee, daar leken ze niet in te trappen.

Eenmaal afgemeerd gingen we met de bus naar onze vakantiebestemming. Toen we aankwamen was het inmiddels vrijwel donker. De meeste huisjes in de buurt hadden in deze tijd geen bewoners, dus zag het er wat somber uit. We scharrelden naar binnen en deden de lichten aan. Daarna pakten we stukken hout die al op maat waren gemaakt en stopten die in het roestige kacheltje. Dat kacheltje was roestig, omdat we het brandhout altijd verzamelden op het strand, en omdat het wrakhout was zat er altijd veel zout in. We aten de meegebrachte stamppot andijvie en natuurlijk kregen we allemaal na het eten een kop warme chocolademelk. Overal werden kaarsjes neergezet en op de voordeur kwam een kerstkrans.

De volgende dag hield de oostenwind zich gedeisd en gelukkig had niemand slecht geslapen vanwege de kou. We ontbeten met melk, thee, koffie, krentenbollen en mandarijnen en aan het eind een snee van de meegebrachte kerststol. Daarna trok iedereen een warme jas aan en maakten we een wandeling naar het Noorderstrand. Boven zee was het nog steeds nevelachtig. Het zicht was beperkt. We liepen met de hele groep zonder al te veel te zeggen naar de westkant in de richting van het Vuurtorenpad. Mijn kleindochter bleef ineens staan. "Ik hoor stemmen", zei ze en ze wees in de richting van het Rif. "Misschien zijn dat de Ketelmannen", zei ik. 'Wat zijn dat, Ketelmannen?", vroeg ze. Ik zei dat ik dat nog wel eens zou vertellen, misschien nog dezelfde dag.

We kwamen weer thuis en de grote tafel werd ingeruimd voor spelletjes. Er was veel eten ingekocht en meegenomen want het was kerstfeest en dan wordt er stevig gegeten. Mijn kleindochter dook bij me op schoot. "Eten we altijd zoveel als de kaarsjes branden en het buiten zo donker is?" "Ja", zei ik, "maar niet iedereen heeft genoeg te eten. Met Kerstmis moet je ook denken aan andere mensen die niet zo veel of helemaal geen eten hebben". "Waar zijn die dan?", wilde ze weten. "Die zijn overal in de wereld", antwoordde ik. "Waar is de wereld en is het daar groot?" "Ja", zei ik, "de wereld is heel groot en er wonen heel veel mensen". 

Ze vond de antwoorden gelukkig voorlopig bevredigend. Ook zij ging meedoen met de spelletjes en het was een gezellige boel. De ramen van het kleine huis waren beslagen en de dag vloog voorbij. 's Avonds werd er gezellig samen gegeten. De ouderen zaten aan de tafelk, en de kinderen met een bord op schoot, want veel ruimte was er niet. het haardvuur werd goed gaande gehouden en iedereen had het zichtbaar naar de zin. Toen kwam de kleine meid weer naar me toe en zei: "Je zou nog vertellen van de Ketelmannen". Ze bleef me lang aankijken en ik kwam er niet meer onderuit, dat was duidelijk. "Dat zal ik straks doen", beloofde ik.

Haar moeder legde ondertussen uit dat haar dochtertje deze tijd wat verwarrend vindt en vertelde het volgende verhaal. 

We hebben drukke weken gehad. Er was van alles te doen. Ik heb twee weken geleden geprobeerd om aan Dominiek duidelijk te maken wat het verschil is tussen Sinterklaas en Kerstfeest. Ze is het de fase van de 'waarom-vragen'. Ik ben uren bezig geweest en was tevreden over het resultaat. Toch was het kennelijk nog niet helemaal gelukt. Toen ik aan het einde van de dag even naar boven was gegaan en weer thuis in de huiskamer kwam, stond Dominiek voor het raam en zong uit volle borst: 'Kindje Jezus kom maar binnen met je knecht'.

Na het eten probeerden we allemaal zo goed mogelijk een plaatsje te vinden rond de kleine haard. Ik zei: "Ik heb beloofd dat ik het verhaal zou vertellen van de ketelmannen. Als jullie het leuk vinden, zal ik dat nu gaan doen". Het grote licht ging uit en alleen de kaarsen bleven branden. Toen iedereen stil was begon ik mijn verhaal. Het is ontleend aan het verhaal zoals dat ooit door Louise Mellema werd opgeschreven. het is een oude sage van het eiland, zoals er zich vele wonderlijke en geheimzinnige zaken op het eiland hebben afgespeeld.


Op het breedste strand van het eiland liepen in de koude noordoosten wind vier mannen in het duister. Ze hadden schipbreuk geleden en probeerden naar de bewoonde wereld te komen. Ze waren met hun schip gestrand op de gronden bij het Westgat, het zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog. Daar kan het echt spoken. Het strand is daar heel breed en het was zo donker dat de mannen de duinen niet konden zien. De mannen hadden van hun schip een oude ketel mee genomen. Hoewel het ochtend was, was de lucht nog aardedonker en dat werd alleen maar erger. Spoedig begon het te sneeuwen en de wind wakkerde aan. 

Het ging steeds harder sneeuwen. Overal om hen heen hoorden de mannen het geluid van de woeste golven. Ze probeerden het bulderen van de zee achter zich te laten en kwamen uiteindelijk wat hoger op het strand. Daar werd de sneeuw vermengd met fijn stuifzand, wat pijn deed aan hun gezicht. Ze overlegden wat te doen. Het leek hen het beste om maar op te splitsen, twee bij twee. Het ene tweetal nam de ketel mee. Het andere tweetal liep zonder ketel verder in de andere richting.

Het tweetal zonder de ketel zag op een gegeven moment de contouren van het dorp en zij wisten dat ze op de goede weg waren. uitgeput kwamen ze in het dorp aan. De eilanders schrokken toen ze hoorden dat er nog twee andere zeelui ergens moesten ronddwalen. Vele mannen uit het dorp werden opgeroepen om te zoeken. De zoektocht leverde niets op. Wel vonden ze de volgende ochtend de oude ketel. Sindsdien is het op het eiland de gewoonte, dat als het donker wordt en de wind door de halmen van de duinen suist, de kinderen ophouden met hun spel en zorgen dat ze gauw naar huis gaan. Want de grote mensen hebben hen verteld dat de Ketelmannen, die nooit gevonden zijn, er nog altijd ronddwalen. 


Nadat ik het verhaal had verteld, was het stil. Toen vroeg een van de kinderen: "Als ze nu nog rondzwerven, moeten zij dan met Kerstmis ook niet wat extra te eten hebben? Je hebt gezegd dat je met Kerst moet denken aan andere mensen die niet veel of geen eten hebben". Ik wist niet goed hoe ik me hier uit moest redden en zei dat dat inderdaad zou moeten. "Maar hoe wil je dat dan doen?", vroeg ik. "Nou we brengen morgenmiddag gewoon eten en drinken naar ze toe en dat vinden ze dan 's nachts wel". "En waar moeten we dat dan neerzetten?", vroeg ik. "Nou dan zetten we het op het Rif en dan komen ze het wel halen".

Een mand met lekkers werd geplaatst op het strand. De volgende ochtend, toen iedereen nog sliep, gingen we met twee mannen op weg om de mand met alles er in weer op te halen. Bij de mand aangekomen deden we een wonderlijke ontdekking. De fakkel die we erbij hadden geplaatst brandde nog, de mand stond er nog, maar de inhoud was geheel verdwenen. Er liepen duidelijke sporen vanaf de zee naar de plek van de mand en er liepen ook twee sporen weer terug naar de zee. Het waren afdrukken van grote zeemanslaarzen...