Ik zit in Hotel Van der Werff
Simone de Jong

Ik zit in de lounge van Hotel Van der Werff. Een plek waarvan ik niet meer wist dat die nog bestond. Een hotel uit de boekjes. Een hotel zoals mijn oom Henk vroeger had in Nijmegen. Oom Henk was de broer van mijn vader. Het zwarte schaap van familie De Jong. Hij had twee vrouwen, wat mijn zussen en ik heel normaal en bovendien oergezellig vonden. Tante Leny en tante Sita. Tante Sita runde de hondenkennel, want oom Henk hield van honden. Zijn hond Bas was de eerste hond die ik zag lachen terwijl hij op een troon zat. Een hondenmand op pootjes. Mijn moeder was dol op oom Henk. Mijn moeder was net als ik dol op zwarte schapen. Nadat mijn vader overleed, nodigde oom Henk ons regelmatig uit. Het hele gezin. We waren allemaal welkom, sliepen met z'n allen op een kamer en renden rond op het wijnrode tapijt dat alle geluiden dempte.

Toen ik de deur openduwde van Hotel van der Werff rook ik dezelfde geur als in het hotel van oom Henk. Een oude geur. Vertrouwd en veilig. Door het open van de deur werd ik jaren terug geslingerd. In het hotel is al meer dan dertig jaar niks veranderd. De eigenaar is een man die met niemand praat en sprekend lijkt op mijn geliefde Maarten Biesheuvel. De mannen achter de bar kussen gasten die er al jaren komen welkom op beide wangen. Ze dragen als ze bedienen een wit servet om hun arm en alleen daar word ik al intens gelukkig van.

In Hotel Van der Werff komt al tientallen jaren lang een zelfde club mensen om kerst en oud en nieuw te vieren. Of een van beide. Alles is namelijk goed in het hotel. Of je nu oud bent en bejaard, of jong en wild, of je nu houdt van wandelen of de hele dag in de salon in een kuipstoeltje zitten en steeds gelukzalig drankjes wilt bestellen, alle kan. En je mag ook aansluiten, of korter blijven of niet komen opdagen. En daar houd ik van.

De afgelopen maanden heb ik dusdanig hard gewerkt, dat ik niet weet wat me overkomt hier in het hotel op oogstrelend Schiermonnikoog, waar niks hoeft en alles kan en mag. Onze vrienden Liesbeth en Gerard boekten een half jaar gelden voor ons een kamer, en dan konden we altijd nog zien of we daar gebruik van wilden maken. Ze vertelden me hoe leuk het er was, maar nu ik het met eigen ogen zie had ik me er echt geen voorstelling van kunnen maken. Je weet nooit van te voren hoe groot geluk er uit ziet.

En het gaat niet alleen om het hotel, want daar kan ik nog vele berichten over schrijven begeleid door vele foto's, want sinds maanden heb ik weer zin om foto's te maken. Gewoon omdat ik zoveel mooie dingen zie en tijd heb. Tijd waarin de geest kan waaien.

Ik weet niet waar te beginnen. Alleen de reis naar de boot die vertrekt vanuit Lauwersoog was al een zegen op zich. Wij namen 'de nachtboot', die Liesbeth zo noemt omdat je er 's nachts verdraaid vroeg je bed voor uit moet. Om half zes stonden we op en met de kerststol in mijn tas als ontbijt reden we naar het einde van de wereld om daar de boot van half tien te halen. De zon kwam oranje op en zwermen trekvogels tekenden V-tekens in de lucht. Op de kade stond een bus ons op te wachten. De blauwe bus met gouden letters 'Hotel Van der Werff'. Alleen dat al. Dat je wordt opgehaald. De chauffeur zag er uit alsof hij vakantie had.

Ik zou willen omschrijven hoe het hotel er uit ziet, maar er is eigenlijk geen beginnen aan. Bij de voordeur hangt al een ouderwets bord waarop staat dat ANWB-leden gebruik mogen maken van de fietshandpomp van het hotel. Links van de voordeur is een rookruimte waar dikke oude mannen liederen zingen. In de ruimte waar je binnenkomt staan oude tafels waar vanmorgen door jan en alleman dikke kranten worden gelezen. 

Het hotel kent geen espresso en cappuccino. Koffie kun je krijgen, voor 80 cent. En het ontbijt houdt gewoon nooit op: hoe laat je je bed ook uitrolt, er staat altijd warm suikerbrood voor je klaar, een gekookt ei, dikke ham en perfecte mandarijnen. Alle tafels in de eetruimte zijn wit gedekt. Allemaal een eigen kandelaar. Kroonluchters die de ruimte verlichten, zoals bij moeders thuis. Ik kijk mijn ogen uit. Continu.

Tegenover het hotel is een kleine supermarkt. Ook daar is het goed toeven. Ik ben dol op het ansichtkaartenrek, vol duin- en zeelandschappen.

We nestelen ons in onze vaste hoek in de lounge onder de schemerlamp. We lezen de krant, we maken een wandeling, we turen over het wad, we aaien honden en kletsen ons een slag in de rondte met bekenden en onbekenden. Als we zin hebben doen we een tukje, en om half zeven schuiven we aan voor het diner. En dan nemen we het drie-gangen-diner voor achttien Euro dat verrassend perfect is. Je hoeft lekker niet te kiezen wat je eet. De soep wordt geserveerd in een grote kom waar je van bij mag scheppen. Alles voelt als vroeger. Ik weet niet hoe ik het anders zeggen moet. Het leven is zo overzichtelijk dat ik er tranen van in mijn ogen krijg. 

Hotel Van der Werff heeft een hart. Een bonkend hart en hele wijde armen. Het hotel is eigenwijs en charmant en wordt gedragen door mensen en tradities. Volgend jaar is al geboekt. Een nachtje langer nu. Tot ik er woon.


>  Zie ook de pagina over Hotel Van der Werff. Klik hier.