Ik hou van Schiermonnikoog
Wolferien


Ik hou van Schiermonnikoog. Alleen de gedachte aan een dagje eiland maakt mij al gelukkig. Daarom vond ik dat we, als afsluiting van een drukke vakantie waarin ik geen vakantie had, een dagje moesten uitwaaien op Schier. Zo gezegd, zo gedaan.


Boaz is de knuffelkont van de twee kinderen. Midas laat pas geknuffel toe als hij er zelf klaar voor is. Heel onverwachts 'rent' mijn minimonster opeens naar zijn grote broer, slaat zijn armen om hem heen en blijft lang genoeg staan om een foto te kunnen maken. Daarna loopt hij hand in hand met Boaz richting het strand. Twee meter, daarna is hij er wel weer klaar mee en wil hij alleen verder.

Als we op het strand aankomen heb ik geen tijd om Midas een zwembroek aan te doen. Voordat ik het weet zit hij al compleet in de modder en heeft hij helemaal geen tijd om zich om te laten kleden door zijn moeder. Ik heb hem maar zo gelaten.

Wat houd ik van mijn dromer. Mijn stille, rustige genieter. Mijn kleine, grote man die altijd zorgt dat hij niet te ver bij mij uit de buurt komt.

Hoe anders is deze avonturier. Hij die mijn hand niet vast wil houden als we aan het wandelen gaan. Hij die zelf wil ontdekken, zelf wil gaan, zelf wil doen. Hij die valt, een tand door de lip heeft, even huilt en mij dan vraagt om 'etuh'. Hij, met de pretoogjes die ondeugd uitstralen en soms niet weet hoe hij lief moet doen. Dit mannetje heeft mijn hart gestolen.

Het is perfect vliegerweer en na een paar keer oefenen houdt Boaz de felgekleurde vlieger keurig in de lucht. Ik heb het ook even geprobeerd maar ik zie er het nut niet van in.

Het strand, een van de breedste van Europa, is verlaten. Ik kan de jongens met een gerust hart tientallen meters laten lopen. Het dunne laagje water vormt geen gevaar, enkel een grote modderpoel van avontuur. Meer heb je niet nodig als je vier bent. Gooien met zand. De hele middag. Zand in hun haren, zand tussen de tenen.

Zeggen dat iets niet mag werkt averechts bij Midas. Hij wijst naar het water en roept mij. "Mama drinkhu?"Ik zeg hem dat het niet mag, dat het vies is. Hij kijkt mij met glimoogjes aan, bukt en drinkt. Compleet gelukkig kijkt hij me daarna aan, totdat de zoute smaak van het zeewater doordringt. Zijn gezicht trekt samen en terwijl hij zijn tong met zijn zandhand afveegt zegt hij: "Viesss".

We verlaten Schier pas als de zon onder gaat. Terwijl de laatste zonnestralen het eiland beroeren varen wij terug naar het vaste land. Die nacht slapen we voor het eerst in maanden allemaal door. Zonder rare dromen, zonder huilende baby's, zonder eerst uren wakker te liggen. Ik hou van het eiland. We houden allemaal van het eiland. En ik denk dat het eiland ons ook leuk vindt.