- Oorlog op Schiermonnikoog
Problemen tussen burgerlijk gezag en militair gezag bij de stranding van de Britse onderzeeboot H6 in 1916.


Kees Bangma onderzoekt personen en gebeurtenissen uit Fryslan die een relatie hebben met de Eerste Wereldoorlog. Dit moet leiden tot een in 2018 te verschijnen boek. Weliswaar was Nederland neutraal, maar ook bij ons heeft deze oorlog diepe sporen achtergelaten. De herinnering daaraan is echter vrijwel geheel verloren gegaan. Via zijn mailadres (cbangma@hotmail.com) komt Kees graag in contact met mensen die informatie (brieven, foto's, dagboeken enz.) hebben over zaken als opvang van vluchtelingen, familieleden die gemobiliseerd waren, distributie, spionage enzovoort. Van Kees Banga is onderstaand artikel (met zijn toestemming geplaatst).


In de nacht van 18 op 19 januari 1916 stormt het rond Schiermonnikoog. De Britse onderzeeboot H6 loopt vlak onder de kust van het eiland op een zandbank. Daardoor bereiken de toch al gespannen verhoudingen tussen de burgemeester en de plaatselijke militaire commandant een climax. Zo krijgt Nederland er een onderzeeboot bij en raakt Schiermonnikoog haar plaatselijke commissie van de reddingsmaatschappij kwijt.


Nederland en de neutraliteit

Op 1 augustus 1914 storten veel Europese landen zich in de oorlog. Nederland vormt een van de weinig uitzonderingen en blijft neutraal. Wij doen niet mee in wat andere landen 'The Great War' noemen. Nee, de enige strijd die wij voeren is om er niet bij betrokken te raken. Maar ook in Nederland is het geen 'business as usual'. Overal in ons land voeren personen en instanties hun eigen strijd om het hoofd te bieden aan de moeilijke omstandigheden. En de strijd van de een leidt soms tot oorlog met een ander.

Onzijdigheidsverklaring

Om neutraal te blijven kondigt de Nederlandse regering direct na het uitbreken van de oorlog de onzijdigheidsverklaring af. Hierin wordt bepaald dat alle militairen van oorlog voerende landen die op Nederlandse bodem komen, zullen worden ontwapend en geïnterneerd. Oorlogsschepen die binnen de territoriale wateren komen of vliegtuigen die het luchtruim schenden worden voor de duur van de oorlog aan de ketting gelegd. Overal langs de grenzen en de kust worden militairen gelegerd. Dit is ook het geval op de Friese Waddeneilanden. Op Schiermonnikoog blijkt al snel dat dit niet voor niets is.

Duits watervliegtuig

Op 14 augustus 1914 landt een Duits watervliegtuig vlak boven Schiermonnikoog in zee voor het uitvoeren van een reparatie. Door de wind wordt het toestel naar het strand geblazen, waarna de bemanning wordt aangehouden door op het eiland gelegerde militairen. Voor hen is de oorlog voorbij; ze worden geïnterneerd in het speciaal voor Duitse militairen opgerichte kamp bij Bergen in Noord-Holland. Het vliegtuig, de Friedrichshaven FF29 tweedekker nummer 28, wordt in beslag genomen. In 1915 koopt de Nederlandse Staat het vliegtuig van Duitsland. Het is het eerste van tientallen vliegtuigen die in de loop van de oorlog op Nederlands grondgebied neerkomen.

Staat van beleg afgekondigd in veel grens- en kustgemeenten

Naast de legering van troepen wordt in veel grens- en kustgemeenten, waaronder Schiermonnikoog, de staat van beleg afgekondigd. In de kuststreken is de staat van beleg vooral bedoeld om te kunnen optreden tegen het schenden van de territoriale wateren door de oorlogvoerende naties en om spionage tegen te gaan. Door de staat van beleg krijgen de militaire autoriteiten formeel zeggenschap over het burgerlijk bestuur.

Het militair gezag krijgt verregaande bevoegdheden zoals de mogelijkheid personen uit te zetten, bijeenkomsten te verbieden of het briefgeheim te schenden. Burgers kunnen worden verplicht op allerlei manieren medewerking te verlenen aan het militair gezag. Die situatie leidt op veel plaatsen tot spanning tussen burgerlijke bestuurders en militaire commandanten.

Ook op Schiermonnikoog zitten de burgemeester en de militaire commandant elkaar regelmatig in de haren. Er is ruzie over het gebruik van de reddingboot door de militairen. De burgemeester is voorzitter van de plaatselijke commissie van de Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij, de NZHRM.

De commissie is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het plaatselijke reddingsstation. Dit binnen de regels die zijn opgesteld door het landelijk bestuur van de NZHRM.

De militairen moeten de neutraliteit handhaven door op te treden tegen vijandelijke schepen binnen de territoriale wateren en de bemanningsleden daarvan interneren. Daarbij willen zij gebruik maken van de reddingboot en van de bemanning die veel kennis van het kustwater heeft.

Problemen tussen burgemeester en militaire commandant

Direct na het afkondigen van de staat van beleg geeft de militaire commandant VanderClijs aan burgemeester Van den Berg (foto rechts) te kennen dat hij voortaan de leiding bij het uitvaren van de reddingboot op zich wenst te nemen. Van den Berg accepteert dit niet. Hij weet met een hogere legercommandant, de op Terschelling gelegerde overste De Timmerman, af te spreken dat bij reddingen alles bij het oude blijft. Is er sprake van buitenlandse militairen die geïnterneerd moeten worden, dan worden deze, zodra ze aan wal komen, aan het Nederlandse bewakingsdetachement overgedragen.

Ongestraft

De irritaties blijven echter voortduren. Op 14 februari 1915 landt een militair watervliegtuig bij de Engelsmanplaat tussen Schiermonnikoog en Ameland. De reddingboot vaart zonder militairen uit. Bij het vliegtuig gekomen weigeren de twee inzittenden over te stappen. Wanneer de reddingboot uren later, nu met Nederlandse militairen aan boord, opnieuw bij het watervliegtuig komt, is dit verdwenen. Een schending van de neutraliteit die ongestraft is gebleven!

Brief

Vanaf dat moment willen de militairen direct mee wanneer de reddingboot uitvaart. Maar burgemeester Van den Berg weigert en beroept zich op eerdere afspraken met de hogere legerleiding. Hij schrijft rechtstreeks een brief aan de hoogste Nederlandse militair, kolonel Snijders. Hij stelt dat het meenemen van gewapende militairen in de reddingboot voor de burger-roeiers complicaties geeft. Misschien wordt de reddingboot nu wel als militair vaartuig beschouwd. De bemanning van de reddingboot loopt daardoor gevaar te worden beschoten. Bovendien wordt door meevarende militairen ruimte ingenomen die bestemd is voor schipbreukelingen, zo schrijft Van der Berg aan Snijders.

Tegelijkertijd gaat een afschrift van de brief naar het bestuur van de NZHRM. Daarbij schrijft Van den Berg dat de telkens terugkerende herrie met het Militair Gezag hoogst onaangenaam is. "Het zal onnodig zijn U nog te verzekeren dat ik het Militair Gezag erken en steun; dat het niet geldt een twist over wie het meeste zal hebben te zeggen ofschoon het me in het begin hoog zat dat de heer Vanderclijs mij ineens het werk waaraan ik met heel mijn hart werk uit handen wilde nemen", zo besluit Van den Berg zijn brief aan het bestuur.

Onbekend doel

Op 22 februari 1915 schrijft Van den Berg opnieuw aan het bestuur van de NZHRM. Een dag eerder wordt de reddingboot gevorderd om met medewerking van militairen uit te varen voor een geheim doel. Hieraan wordt voldaan, maar met tegenzin. "Het is voor de roeiers toch ook niet alles om op zo'n manier voor een onbekend doel te worden gezonden", aldus Van den Berg. Hij dringt opnieuw bij het bestuur aan om duidelijkheid.

Het bestuur neemt haar verantwoordelijkheid door op 25 maart een brief te sturen naar de Opperbevelhebber der Land- en Zeemacht. Daarin wordt voorgesteld door middel van een circulaire aan alle reddingsstations duidelijkheid te verschaffen over de verhouding tussen het militair gezag en de plaatselijke commissie in de gemeenten die in staat van beleg of in staat van oorlog verkeren. Het bestuur heeft als standpunt dat verzoeken om niet-bemanningsleden, dus ook militairen, mee te nemen nooit zullen worden ingewilligd. Een reddingboot is immers 'een instrument des vredes'. Dat is echter anders in die gevallen waarin medewerking wordt gevorderd. In dat geval 'houdt deze reddingboot alsmede hare bemanning op te zijn in dienst der NZHRM met alle gevolgen welke daaruit kunnen voortvloeien'.

'De NZHRM kan bij dergelijke tochten dan ook niet aansprakelijk gesteld worden, noch voor de wijze waarop eventueel reddingwerk wordt uitgeoefend, noch voor de betalingen van loonen aan bemanningen, voerlieden etc., noch voor de ondersteuning van nagelaten betrekkingen van leden der bemanningen, zoo deze een ongeval mocht overkomen'. Alle kosten dienen derhalve te worden betaald door het Rijk.

Op 17 april 1915 laat de chef van de Marinestaf het bestuur weten zich geheel te kunnen vinden in de voorgestelde verhouding. Bovendien, om de eigen taken te kunnen verrichten, krijgt het marine-detachement op het eiland de beschikking over een eigen vaartuig. Op deze wijze kunnen de militair commandant en de burgemeester zoveel mogelijk uit elkaars vaarwater blijven en lijkt de vrede getekend.

Ook burgemeester Van den Berg lijkt zich hierin te kunnen vinden, zij het dat er volgens hem nog een vraagpunt blijft: "Nu blijft nog over de kwestie of bij strandingen wanneer de militaire boot uitgaat ook onze boot moet uitgaan en dunkt mij dat dit wel het geval behoort te zijn. Ik merk hierbij op dat ik steeds tracht met den militairen bevelhebber op den besten voet te staan en twijfel dan ook niet of een overleg zal bij voorkomende gevallen plaatsvinden", zo schrijft hij het bestuur.

Stranding van de Britse onderzeeboot H6

Op 19 januari 1916 loopt de Britse onderzeeboot H16 om 04.30 uur op een zandbank in het Friesche zeegat, minder dan een kilometer van de kust van het eiland. Het schip maakt onderdeel uit van de Britse zeemacht die met een blokkade van de Noordzee probeert de Duitse economie en het Duitse moreel te breken.

De boot van het marine-detachement vaart uit maar kan wegens te grote diepgang de onderzeeboot niet bereiken. De reddingboot krijgt om 12.00 uur de mededeling dat de onderzeeër in nood verkeert en om hulp seint. Om ongeveer 14.00 uur bereikt de reddingboot de H6. De bemanning van de H6 weigert echter op dat moment om over te stappen. Even later komt de stoomsloep van de buiten de territoriale wateren gelegen Britse torpedoboot HMS Firedrake ter plaatse (foto onder). Deze neemt tien bemanningsleden, de scheepspapieren en instrumenten van de H6 aan boord en brengt ze naar de torpedoboot.

Al snel is ook het Nederlandse oorlogsschip Noord-Brabant met enkele torpedoboten in de nabijheid van het Friesche zeegat. Daardoor zijn de Britten niet in staat ook de overige bemanningsleden van de H6 te evacueren. De bemanning van de reddingboot blijft intussen bij de H6. Omdat het weer steeds slechter wordt, stappen de overgebleven 12 bemanningsleden toch over op de reddingboot. Op Schiermonnikoog worden zij overgedragen aan de commandant van het marine-detachement op het eiland, kapitein jonkheer Groeninx van Zoelen.

Terwijl de bergers bezig zijn om het schip los te krijgen, vliegen burgemeester Van den Berg en de militaire autoriteiten elkaar opnieuw in de haren. De burgemeester is woedend over het gedrag dat de militairen vertonen bij het uitvaren van de reddingboot. Vlak voor het vertrek van de reddingboot verschijnt sergeant Dekker van het marine-detachement met 4 a 5 matrozen. 

Foto onder: Enkele leden van het marine-detachement op het eiland. 

Met de geweren omhoog delen zij mee dat ze op last van de chef van de militaire staf mee moeten op de reddingboot. Van den Berg weigert. Hierop laat de sergeant de boot zonder militairen vertrekken. Wanneer de boot in zee is zegt de sergeant, dat hij niet heeft geschoten om doden te voorkomen, aldus Van den Berg. "Ons leven is in het werk Uwer reddingmaatschappij voor ons en anderen geen ogenblik zeker. het lijkt hier of we door een vijandelijk leger zijn bezet", zo schrijft hij het bestuur van de reddingmaatschappij. Hij eist de persoonlijke verzekering van de minister van Marine dat dit nooit weer plaats zal vinden.

Opperbevelhebber stelt burgemeester verantwoordelijk

De militaire leiding op haar beurt is in alle staten over de opstelling van de burgemeester. In zijn brief aan het hoofdbestuur van de NZHRM houdt de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht de burgemeester verantwoordelijk voor deze ernstige schending van onze neutraliteit. Immers, wanneer er gewapende militairen met de reddingboot waren meegegaan, waren de Engelsen er nooit in geslaagd om een deel van de bemanning van de onderzeeër af te halen. En de in 1915 gemaakte afspraken zijn immers duidelijk: bij een vordering door het militair gezag moeten er militairen mee.

Inmiddels blijkt dat er wel iets valt af te dingen op het standpunt van de legerleiding dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de schending van de neutraliteit. Uit het rapport dat de militaire commandant aan de legerleiding stuurt, blijkt dat hij in eerste instantie sergeant Dekker opdracht geeft om mee te gaan met de reddingboot. Zodra de marine-boot, met aan boord Groeninx zelf, in zee is, trekt hij die opdracht in.

Daarna krijgt sergeant Dekker van de uitkijktoren bericht dat de chef van de marinestaf telegrafisch goedkeuring had verleend aan de opdracht van Groeninx om de reddingboot te vorderen. Op basis daarvan wil hij alsnog mee in de reddingboot. Wanneer de schipper van de reddingboot weigert de militairen mee te nemen met de woorden "de burgemeester is hier de baas", krabbelt de sergeant terug. "Daar de order die ik (van de chef van de marinestaf) had slechts een goedkeuring van hogerhand was van een order van den commandant - die hij echter voor zijn vertrek weer had ingetrokken - vond ik dat ik geen krachtiger maatregel kon gebruiken", aldus sergeant dekker in zijn rapportage over het voorval. 
Foto rechts: Ambrosius Dubblenga, schipper roeireddingboot.

Het beeld dringt zich op dat de burgemeester moet dienen als zondebok voor de verwarrende communicatie tussen de verschillende militairen. Doch Van den Berg heeft het inmiddels over hem bestaande beeld bevestigd. Op 4 maart 1916 vergadert de landelijk secretaris van de NZHRM De Booy op Schiermonnikoog met de plaatselijke commissie. "Waarbij de burgemeester zich weder doet kennen als een koppige kerel, die niet meewerkt met het Militair gezag", zo schrijft De Booy (foto links) in zijn dagboek.

Burgemeester Van den Berg buiten spel gezet

Het leidt op 20 maart 1915 tot een brief van het bestuur van de NZHRM aan alle plaatselijke commissies die niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. het bestuur schrijft dat het militair gezag door alle vertegenwoordigers van de reddingmaatschappij zoveel mogelijk bij de uitoefening van haar moeilijke taak moet worden gesteund. Wanneer het Militair gezag van zijn bevoegdheid gebruik maakt de reddingboot te vorderen, dient hieraan direct gehoor te worden gegeven. Eveneens dienen in een dergelijk geval de schipper en de roeiers van de reddingboot de velen van het Militair gezag op te volgen. De wet bevat artikelen waarin zij, die weigeren, met straffen worden bedreigd.

De brief valt op Schiermonnikoog niet in goede aarde. De volledige plaatselijke commissie stapt op 30 maart 1916 op omdat "wij in de onderhavige kwestie niet meer op Uwen steun kunnen rekenen en geen zekerheid hebben gekregen dat dergelijk onbesuisd optreden van militairen, beneden de rang van officier, waardoor 't leven van vreedzame burgers wordt bedreigd, zich niet zal herhalen". Vanaf dat moment wordt de reddingmaatschappij op Schiermonnikoog vertegenwoordigd door bootsman Dubblenga. Pas na de oorlog komt er een nieuwe plaatselijke commissie.

Nederland neemt onderzeeboot in beslag

De onderzeeboot wordt door de Nederlandse overheid in beslag genomen. Er volgt een moeizame bergingsoperatie omdat het schip diep in het zand ligt. Op 20 februari lukt het om de H6 definitief vlot te krijgen. Na van maanden van onderhandeling met de Britse regering wordt de onderzeeër begin 1917 door Nederland gekocht voor 81.000 Engelse ponden. Op 7 mei 1917 wordt het schip herdoopt in Hr. Ms. 08 en zet haar carrière voort in Nederlandse dienst.

Britse bemanning geïnterneerd in Groningen

De geïnterneerde bemanning van de H6 heeft intussen van dit alles geen weet. Zij verblijven enkele dagen in het badhotel op Schiermonnikoog. Ze krijgen veel aandacht van de plaatselijke dames. Daarna worden ze overgebracht naar het interneringskamp voor Engelse militairen in Groningen (Foto onder).

Burgemeester Van den Berg

Van den Berg blijft burgemeester tot 16 juli 1942. Op 28 juli 1943 komt hij op tragische wijze om het leven. Amerikaanse bommenwerpers, op weg naar Duitsland, worden boven de Waddenzee achtervolgd door Duitse jagers. Om te ontkomen laten de vliegtuigen hun bommenlast vallen. Daarbij vallen bommen op het dorp Schiermonnikoog. Vijf mensen komen om het leven, onder wie Van den Berg en zijn vrouw.


> Zie ook pagina Geschiedenis, waaronder het eiland tijdens de Tweede Wereldoorlog.