Herinneringen aan vroeger
Terug in de tijd met Maaike van Boven


In onderstaand, uitgebreid verhaal blikt Maaike van Boven terug op het leven van haar familie en de eilanders in vroeger tijden, waarbij ze vooral ook de herinneringen van haar moeder weergeeft.


Mijn oma Antonia Antoinette van Boven was een dochter van dokter Van Boven. Deze dokter Van Boven dronk heel veel en had 'een kwade dronk'. Zijn vrouw vroeg herhaaldelijk aan de dominee om hulp. Uiteindelijk zijn ze in 1881 naar Schiermonnikoog gegaan en werd hij een geliefde huisarts.

Op 24 februari 1899 overleed dokter Van Boven en werd hij opgevolgd door dokter Willem Beekhuis (foto links). De familie Van Boven woonde in een dubbel huis aan de Langestreek. De familie Beekhuis bewoonde de rechterhelft, de familie Van Boven de linker helft van het huis.

Mijn moeder, Greta Johanna, werd op geboren op 3 april 1907. Het huis waar ik toen woonde was ruim en had een grote tuin op het zuiden. Achter de tuin liep het laantje vanaf 'de burcht' (de woning van de eigenaar van het eiland) tot aan de kerk. De serre was het lievelingsplekje van mijn moeder. Daar zat zij altijd achter het theeblad. In de serre stond een prachtig groot poppenhuis. Een huis met drie verdiepingen, met alles er op en er aan.

In onze huiskamer stond een grote, ronde tafel met een donkerrood pluche kleed. Er boven hing een grote olielamp. Samen met de grote kolenhaard met mica deurtjes gaf dat een gezellig warm licht. Tussen de ramen stond een theestoof. Na het middagmaal rond half een ging een gloeiend kooltje uit het fornuis in 'de doofpot'. Tegen theetijd ging dat kooltje over in de theestoof. En daarop stond een koperen keteltje te zingen. Het melkkannetje stond in een spoelkom; hierin werden de kopjes na de thee 'gewassen'. 

De eetkamer werd door mijn vader ook gebruikt als spreekkamer. De wc was in een hok, waar alles stikkedonker was want alleen in de vestibule brandde een lantaarntje. De emmer van de wc - wij spraken altijd over 'de plee'- werd geleegd in een grote gemetselde bak achter in de tuin. boven waren de logeerkamers met negen slaapplaatsen en een zolder, waar de mangel stond en de zwaluwen een nestje bouwden onder de balken. in het 'kippenkamertje' sliep het inwonend dienstmeisje, Jansje van Dijk. 


Dit vertelde mijn moeder over vroeger

Mijn moeder had steeds hulp in huis. De huishouding was heel wat ingewikkelder dan nu. In de kamers lag zeil en daar overheen een vloerkleed. Moeder strooide natte theebladeren over het kleed. Dat hield het stuiven tegen als er met stoffer en blik geveegd werd. Later kwam er een rolveger; een hele vooruitgang. Als het schoon was, strooide moeder zand over het kleed, waar een mooi figuur in getekend werd.

De was

Oliekachels en olielampen gaven ook veel werk. De was was een immense klus. In een hok stond een grote gietijzeren kookpot en een rond houten wasmachine met een wringer er boven. Eerst werd de witte was gekookt in de kookpot, waar een vuutje onder brandde. Na een poosje werd de was met een grote houten lepel overgeheveld naar de 'wasmachine', waar een sop in gemaakt was. Al het water moest met een emmertje opgehaald worden uit de regenbak. Op het deksel van de wasmachine zat een hendel. Honderd keer naar links draaien en honderd keer naar rechts. We mochten moeder niet storen tijdens het tellen.

Vervolgens ging de was naar het bleekveld buiten en daarna spoelen en door de wringer. Ja, de was doen deed je toen niet in een dag.

Koken

Als er gekookt moest worden, werd iedereen uit de keuken geweerd. Hooguit mocht in de pap geroerd worden. Ma zei dan: "Als het prut zegt, is het klaar". Vader sneed altijd de rollade. Ik geloof dat we dat veel aten. Als moeder de rollade bij de slager ging kopen, legde ze de slager uit het hij de rollade moest kruiden. Ook maakte vader altijd de sla aan. Uit de karafjes van mooi kristal - het olie- en azijnstel - werden twee lepels olie en twee eetlepels azijn gemengd met wat zout en peper. Slasaus was er niet.

Behalve huisarts was vader ook een groot tuinliefhebber. Onze tuin was de enige grote bloementuin op het eiland en was altijd mooi. Na de kerkdienst op zondag maakten veel mensen hun wandeling langs de tuin om hem te bewonderen. Ook de grote moestuin aan het andere eind van het laantje gaf veel werk.

Ronde lopen

Vader was niet alleen huisarts, maar ook tandarts en verloskundige. De mensen die hem nodig hadden, wisten precies de route die vader door het dorp nam. Als hij langs kwam tikten de mensen tegen het raam en wenkten hem binnen. Bij oude mensen liep vader vaak even binnen om een praatje te maken. Zijn tweede ronde was eigenlijk die van verpleegkundigen wonden verbinden, wassen enzovoort. Alles deed hij te voet, alleen patiënten uit de polder werden wel eens per fiets bezocht. Als ik thuis was tijdens de vakanties, wandelde ik 's middags vaak met hem mee naar de boeren in de polder. Hij wees me dan - een kringetje draaiend met zijn stok - op de planten en bloemen die we tegen kwamen. En hij leerde me de namen van de weidevogels. 

Wecken

De moestuin leverde voor een heel jaar groente en aardappelen. Ik heb vaak bonen moeten plukken, afhalen en breken voor de weck. Aan het einde van de zomer stonden in de kelder twee lange planken vol met allerlei groenten, groen, rood, oranje; een mooi gezicht. Op de grond stonden grote, bruine Keulse potten met ingemaakte zoute snijbonen met witte bonen erdoor en zuurkool, afgedekt met een rondhouten plankje met een zware kei erop.

Ook de slacht was een drukke tijd voor moeder. hammen werden in het nachthok van een afgedankt kippenhok gerookt boven een potkacheltje.

Water

Ja, de huishouding was bewerkelijk. Alleen al het water dat dagelijks gebruikt werd. Alles moest met een akertje aan een lang touw - of met een puthaak - uit de regenbak of put gehaald worden. Putwater was voor de consumptie via een filter dat in de bijkeuken stond. regenwater werd gebruikt voor de was en voor de kamer op de wastafels. Naast de wastafel stond een toiletemmer, waar de kommen in geleegd werden. Pas in 1950 werd het eiland als eerste Friese Waddeneiland op de waterleiding aangesloten. 

Elektriciteit

Elektriciteit kwam er in 1923. het heeft lang geduurd voordat moeder het knopje durfde om te draaien. Zonder elektriciteit was het 's avonds buiten echt donker. Langs de Streken stonden olielantaarns die om 22.00 uur weer werden uit gedaan. Als vader en moeder 's avonds uit gingen, namen ze altijd een stallantaarn met een kaarsje erin mee. Als dwaallichtjes zag je dan al die lichtpuntjes door het donkere dorp zweven.
* Van 1923 tot 1976 had het eiland een eigen elektriciteitscentrale. In dat gebouw huist nu het Bezoekerscentrum.

Twee dagen in de week had ik van 17.00 tot 19.00 uur Franse les in de hoogste klas. Terug naar huis liep ik dan nooit door het laantje, maar langs de streek. Ik holde van lantaarn naar lantaarn langs al die donkere steegjes Doodsbenauwd was ik dan. 

Zomertijd

In de zomer hadden we altijd kinderen in huis, waarvan de ouders met vakantie waren of kinderen die zeelucht nodig hadden. In mijn verbeelding was het 's zomers altijd strandweer. Pa huurde voor het hele seizoen een strandtentje. 's Morgens trokken we er op uit met de strandkar waar de jongste in werd vervoerd. 

Om 12.00 uur stonden we dan allemaal onderaan de trap van de duinen hongerig te wachten tot 'de groten' terugkwamen met de kar met daar in een grote trommel met brood en kannen met melk. De kleinsten gingen na de maaltijd weer terug voor de middagdut, maar wij bleven wachten tot Pa ons aan het einde van de middag weer op kwam halen. We liepen dan langs de Badweg en stopten bij een houten filiaal van een grote groentezaak uit Groningen. Die was er alleen in de zomermaanden. Daar zagen we fruit dat vreemd voor ons was. Wij kenden alleen appels en peren. Pa kocht dan vaak een netmeloen en pruimen. De geur van dat winkeltje met fruit... ik ruik het nog.

Aan het huis 'Regina' op de Badweg heb ik zomerse herinneringen. Dan kwam de familie Van Hoorn de hele zomer naar het eiland. De dochters Dinie en Rika waren dan bij ons op school. Dinie was mijn vriendin in die tijd. Van haar kreeg ik haar eerste fiets, een door en door afgedankte doortrapper. Met mijn voeten op het stuur ging ik dan de hellende Badweg af.

Pa was naast arts en tuinman ook leraar in verband- en gezondheidsleer aan de zeevaartschool. Ook was hij mede-oprichter van 'Het Groene Kruis' en van de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer. Tot zijn dood in 1939 was hij ouderling van de Hervormde Kerk. Toen er eens geen predikant was, werd Pa gevraagd op het kerstfeest van de zondagsschool het kerstverhaal voor te lezen. Hij las 'hegge Hannes' voor. Dat is altijd mijn favoriete kerstverhaal gebleven.

Pa was een heel geliefde arts op het eiland. Maar hij kon ook heel streng zijn als de mensen zijn advies niet opvolgden. Wat kon hij mopperen als de badgasten, roodgeblakerd door een dag zon op het strand, bij hem kwamen om hulp voor hun pijnlijke huid.

Wijkzuster

Dankzij pa kwam er ook een wijkzuster op het eiland, Ake de Boer. Voor die tijd deed hij alle verrichtingen van een wijkverpleegkundige zelf. Na een bevalling met behulp van een 'baker' ging hij nooit weg voor de kraamvrouw goed verzorgd door hem in bed lag.

Kleding

Wat kleding betreft zagen we er heel anders uit in die tijd. Veel saaier. Over een hemdje droegen we een katoenen lijfje. Daaraan zaten opzij knopen waaraan onze zwarte gebreide wollen kousen met knoopsgatenelastiek werden vastgeknoopt. Dan een wit katoenen broek met pijpen tot aan de knie voorzien van een mooi kantje. Twee kleppen - een voor- en achterklep - die met bandjes voor en achter vastgestrikt werden. Het duurde wel even voordat ik dat zelf kon. 's Winters ging er een zwarte wollen broek overheen. Lange broeken bestonden toen niet. 's Winters droegen we ook hoge knooplaarsjes, die we met een knopenhaak vast maakten. O wee, als die niet op zijn vaste plaats lag! 's Zomers droegen we sokjes en lage schoentjes met een bandje over de voet en 1 knoop. De jongens hadden een korte broek tot op de knie. Een lange kregen ze pas als ze een jaar of veertien waren. 's Winters liep ik ook veel op klompen met zwarte wollen sokken er in.

Een geliefd spelletje was, wie de klomp het verst kon wegschoppen. Vaak brak de kap er af. We hoopten dan op een paar nieuwe maar moesten meestal genoegen nemen met een kram eroverheen.

School

Als we naar school gingen droegen we een schort. 's Maandags begonnen we met een sitte, die aan twee kanten gedragen kon worden. Maar halverwege de week was de mijne vuil en moest ik een bonte met mouwen aan, een 'kiel'. Er was geen modezaak op het eiland. In het voor- en najaar kwamen twee vertegenwoordigers uit Dokkum en Leeuwarden (Baarsma en Steringa)naar het eiland. Met twee grote koffers vol stalen gingen ze langs hun klanten. Een naaister kwam onze jurken naaien. Garen, band en linnengoed kochten we in de Middenstreek bij Dobbinga.

De school stond aan het eind van het laantje, waar nu het gemeentehuis staat. Er waren drie klassen en twee meesters; Gasau en Heelings en in mijn tijd Grietje Melis. Ik vond haar niet lief. Ze sloeg met een liniaaltje heel hard op mijn knokkels als ik mijn griffel in de linkerhand hield. We schreven op leien. Toen ik op 15 juli 1913 naar school ging, kreeg ik een griffelkoker met twee lagen en een sponsendoos. Die kon aan twee kanten open. De ene helft voor een nat sponsje, in de andere helft een stukje zeem. Natuurlijk lieten we er vaak een boon in groeien. De jongens spuugden op hun lei en gingen er dan met hun mouw overheen.

Ik kreeg nog wel eens straf en moest dan een poos in het kolenhok staan. Ook moest ik op mijn lei thuis strafregels maken. Ik maakte ze dan stiekem en ging 's morgens met de lei onder mijn cape naar school. Eens had ik de lei na vier uur in een holle boom verstopt. Helaas ging het 's nachts regenen en waren al mijn regels weg.

In het speelkwartier rende ik door het Laantje naar huis en kreeg dan een beker vers gekookte melk met schuim en vellen. Heerlijk. Met een stuiver in de hand rende ik daarna naar bakker Caron voor een krentenbol. We roken ook altijd als er koek werd gebakken en mochten dan een zak vol 'kantkoek' halen voor een paar centen. Veel jongens gingen na de lagere school naar de zeevaartschool (foto links) op het eiland. Voor de meisjes was er niets zodat die bijna allemaal thuis bleven.

Pasen

Eerste Paasdag gingen we al vroeg met een netje vol hardgekookte, gekleurde eieren naar 'Het Paiskelaun' (Het Paasland) achter de pastorie waar nog geen huizen stonden. Daar hadden zich al jongens van de zeevaartschool verzameld om voor een cent onze eieren ver over het land te gooien. Met een beetje geluk haalde je het ei heel weer op, maar vaak had je pech. Voor een dubbeltje gooiden ze het in de bomen. Voor de verdiende centen kochten we hazelnoten. Daar 'sparkten' we mee; een soort knikkerspel. Je nam een aantal nootjes in je hand en een ander legde er eenzelfde aantal bij. je gooide ze in een kuiltje. Even er in was gewonnen, oneven verloren.

Pinksteren

Bij Pinksteren werd bij hotel Van der Werff de Kallemooi opgericht. Uit een kippenhok van iemand van wie verwacht werd dat hij kwaad zou worden, werd een haan gestolen. De haan werd in een mand boven in een lange paal gehesen, voorzien van eten en drinken voor drie dagen. Een 'meitak', een fles en een vlag completeerden het geheel.

Tweede Pinksterdag was het Pinksterrijden. Voor een dubbeltje reden we door de polder en het hele dorp. Bij ieder huis waar iemand buiten stond zongen we uit volle borst: "En.... gaat nooit verloren, falderalderie!". Ook waren er de kinderspelen. Op derde Pinksterdag werd 's avonds de haan naar beneden gehaald.

Sint

De sinterklaastijd werd ingeluid door de vrouwen die met manden vol lekkers langs de deuren gingen. Op 4 december was het tijd voor de Klozums. De opgeschoten jeugd kwam dan onherkenbaar verkleed en met maskers op met veel lawaai door het dorp. Waar een licht in de gang brandde, waren ze welkom. Ik lag beneden in de slaapkamer met de deur op een kier. Spannend maar ook angstig vond ik het. Na een glaasje van het een of ander, gingen de klozums met veel tam tam weer verder.

Surprises maken kenden we niet. Op 5 december stond in de kamer een grote tafel vol cadeautjes. Ook de schoen bij de schoorsteen werd niet vergeten. Aan het einde van de middag werd Sinterklaas verwacht. Wel jammer dat pa dan net werd weggeroepen voor een patiënt...

Tegen kerst kwamen de vrouwen met manden met lekkers weer langs de deuren. Ik herinner me niet dat we met kerst een kerstboom in huis hadden. Wel stond er in de kerk een grote boom met echte kaarsen.

Oud & Nieuw

Of we als kind mochten opblijven met oud en nieuw weet ik niet meer. Maar vuurwerk werd er wel afgestoken. Wopke Feninga verloor een oog door een verdwaalde vuurpijl. Nieuwjaarsochtend gingen we al vroeg op pad. Tantes nieuwjaar wensen, maar ook de onderwijzers van de school en zondagsschool.

Trouw en rouw

Als er getrouwd ging worden, dan kwam veldwachter Minnema (rechts op foto met sabel) naar het huis van de bruid. Als de stoet gevormd was met Minnema voorop, luidde de kerkklok. Langs de Streek ging het dan naar het gemeentehuis. Als de stoet binnen was stopte de klok met luiden, maar zodra de deur open ging begon het luiden weer tot de stoet thuis was. Bij een begrafenis luidde de klok ook met met een ander geluid. De dragers droegen de kist het huis uit. Vervolgens liep de stoet twee keer om het kerkhof heen - om boze geesten te verjagen - voordat men naar het graf liep.


Terug in de tijd: Dienstregeling naar en van het eiland