Herinnering aan de oorlogstijd
Gientje Carrette-Drent


Wij meisjes waren de 'Hokkelingen' geworden. Een clubnaam die Sake van der Werff ons gaf. En onder die naam waren we in het dorp bekend. Of misschien wel berucht. De oorlog brak uit en ook ons eiland was aan de vijand overgeleverd. Op den duur waren er wel duizend soldaten op Us Lytje Pole, terwijl wij maar met achthonderd inwoners waren.


Er werden mijnen gelegd, bunkers gebouwd en overal geschut geplaatst. Wij mochten ons niet ver meer buiten het dorp begeven. Maar op den duur waren we dat gewend. De Inselkommandant was een vlotte man en wandelde vaak met zijn wandelstok door de streken en sprak mensen aan. Eens ging hij zelfs een huis binnen en vroeg: "Wass gibt es heute zum essen?". Veel van het eten kreeg je op speciale bonnen. Juist genoeg om er een karig maaltje mee te koken. Gelukkig had iedereen zijn eigen tuin met aardappels en groenten. Alleen vlees was schaars.

Wij hadden thuis veel huisdieren: een kat, een grote zwarte hond Astra en een witte geit Tefa. Hond en geit waren gek met elkaar en speelden en sprongen totdat ze bekaf naast elkaar in slaap vielen. Een prachtig gezicht.

Tegenover ons huis in de Middenstreek woonde Kees de Vries met zijn gezin. Kees was slager en mijn vader had wel eens lachend tegen hem gezegd: "Als de nood het hoogst is hebben we altijd geit Tefa nog". Zomaar uit de lol gezegd. Maar o wee! Op een dag kwamen we thuis van een wandeling en Kees kwam zeggen dat hij de geit had geslacht. Dat kwam hard aan en wij kinderen jankten en tierden. Kees was verbaasd, hij had alles verkeerd begrepen en wij hebben het hem maar vergeven.

Maar mijn arme moeder; zij heeft de geit in stukken moeten koken, in weckflessen gedaan en in de kelder gezet. Of wij er ooit van gegeten hebben weet ik niet. Toevallig trof ik eens Theo de Vries (de zoon van Kees) en hij vroeg: "Weet je het nog Gientje, dat mijn vader in de oorlog per ongeluk jullie geit geslacht heeft? ". We moesten er hartelijk om lachen.

In de oorlog had je de zogeheten 'Winterhulp'. Een organisatie die de minderbedeelde mensen geld gaf om er iets wat ze nodig hadden mee te kopen. Daarvoor werd langs de huizen met een bus gecollecteerd. De Hokkelingen deden daar ook aan mee, een keer per maand.

Onder: Krantenbericht van 29 juli 1940.

Elsje Perdok en ik liepen samen en onze vriendinnen waren verbaasd hoe het kwam dat wij altijd meer geld ophaalden dan zij. Terwijl we toch steeds wisselden van streek. Dat kwam zo: Op woensdag was er voor de Duitse soldaten cinema in het strandhotel. Elsje en ik hadden aan kapitein Rehm gevraagd of we daar tijdens de pauze mochten collecteren. Nou, dat mocht en in onze collectebus rinkelden de guldens en kwartjes vlot naar binnen. Ja, wie niet sterk is, moet slim zijn!

In de zomer gingen we 's avonds wel eens een wandelingetje maken over de Badweg tot aan het strand. Verder mocht je niet. In het huisje 'Koos' waren jonge soldaten ingekwartierd. Op een avond, toen we voorbij liepen, waren ze aan het handballen. We zeiden tegen elkaar: "Zullen we de bal eens afpakken?". En ja, dat lukte. En natuurlijk de jongens achter ons aan. grote pret; we speelden samen een partijtje handbal. En daardoor kregen de Hokkelingen van de eilanders de naam 'Moffenmeiden'.

Dat de verhoudingen goed waren, blijkt uit het feit dat ik later met drie van die soldaten bevriend ben gebleven. Ze zijn met hun vrouw bij ons in België op bezoek geweest en wij (met mijn man Toni) bij hen in Duitsland. We hadden zelfs met zijn allen een reünie op het eiland en moesten daarvoor een echtpaar uit Oost-Duitsland de grens over smokkelen.

Zo zie je maar weer: als de wil er is kunnen vijanden vrienden zijn. En is ware vriendschap dikwijls de zon van het leven? En, wie was de vriend en wie de vijand?

Op een avond kwam er de boodschap dat de radio's ingeleverd moesten worden. Wij hebben daar geen gehoor aan gegeven. Een jonge soldaat, die op het bureau van de Wehrmacht werkte, kwam ons op een dag waarschuwen. Hij had onze naam voorbij zien komen. "Maak dat die radio verdwijnt, anders is het niet best! En als je nog iemand weet, waarschuw hem dan". Zigterman had er ook nog een. "Ze komen huiszoeking doen". Mijn vader heeft de radio laten verdwijnen. Jacob Hoekstra had in een weiland 'om de west' koeien lopen en had daar op een duintje een hut staan. Daarin heeft mijn vader een gat gegraven en de radio goed verpakt erin gestopt. Juist op tijd, want 's avonds stapten er twee soldaten, geweer over de schouder, bij ons naar binnen. Twee soldaten posteerden aan de voorkant van het huis en twee aan de achterzijde. Ze doorzochten het hele huis en zagen onze instrumenten van het fanfarekorps staan. "Hebben jullie nog andere instrumenten, een radio misschien?", vroegen ze. Vader antwoordde: "Die moesten we toch inleveren? Ik heb de radio verkocht aan een soldaat die in Urlaub ging"

Gelukkig kwam er na vijf jaar een einde aan de oorlog. Het eiland werd als laatste bevrijd. 's Avonds, nadat het eiland van de vijand was verlost, marcheerde het fanfarekorps met man en macht door de streken met heel de bevolking er zingend achteraan. Mijn vader spitte de radio uit de grond, deed hem aan en hij speelde!


Foto onder: Aftocht van de Duitsers in juni 1945