Geen schaduw op Schier
Een verhaal met een knipoog door Jan van Mersbergen - juli 2012


Tijdens onze laatste vakantie is het bijna dertig graden in de schaduw en tussen de veerdam en bungalowpark De Monnik is geen boom te vinden die schaduw kan geven. We lopen bijna een uur, want de kleine is nog maar drie en is snel moe. Nog voor we bij het huisje zijn verbranden zij en ik onze armen en nek.


Het huisje is prima: drie slaapkamers, een aardige woonkamer met keukentje en lege koelkast, een grote tuin en een lekkere douche. Ik loop om het huis en daarna nog een keer. De begroeiing aan de achterkant van het huis is hoog. Voor het huis niet, daar heb ik een parasol nodig.

In de tuin zitten teken. Na een paar uur heeft de hond er een paar op zijn kop zitten en die moeten er uit. Ik hou hem vast en mijn vriendin heeft een pincet gevonden en probeert de beesten eruit te draaien. Ik houd hem goed vast. Hij denkt waarschijnlijk dat ik hem wil wurgen, want hij gromt flink. Nu ken ik dat wel van dat stomme beest, dus ik hou hem nog iets steviger vast en dan komt die pincet weer dichterbij en gromt hij nog harder. "Toe maar", zeg ik, "ik houd hem wel vast". Maar hij gromt heel hard en ik verslap iets en hij bijt hard in mijn rechter wijsvinger. Echt een diep gat, een put. Veel bloed. Hij rent weg. Ik kan hem geen schop na geven. Hij zit al onder de struiken.

Later bindt mijn vriendin dat beest een tuigje om zijn bek - zijn riem wat strakker aangetrokken tot een soort muilkorf - en dan lukt het haar wel de teken te verwijderen, helemaal alleen. Ik zei eerst nog dat het niet nodig was, zo'n tuigje, en als je zoiets zegt en je houdt zo'n beest toch vast en het gaat mis, dan heb je het zelf gedaan, ook op vakantie...

Het voordeel van zo'n vakantiehuisje in een heel ruim bungalowpark is dat je de hond 's ochtends gewoon buiten kunt zetten. je hoeft niet met hem te lopen, alleen de kak opruimen. Ik wil nooit meer met hem gaan lopen, en ook nooit meer zijn kak opruimen, en dat laat ik hem weten ook, daar op dat eiland. Iedere keer als hij me ziet gaat hij liggen, compleet plat op de grond, en als ik dan iets zeg kwispelt hij, maar daar trap ik niet in. Eerst moet die put dicht. Na een paar dagen is hij niet zo diep meer, maar nog altijd een centimeter lang en ook zo breed.

Ik zit aan een meertje, in de schaduw natuurlijk, en mijn rug vervelt. Mijn zoon zit op een enorme waterfiets met twee drijvers die allebei 250 kilo kunnen dragen en hij zit alleen op dat ding en de schroef zakt niet helemaal in het water, hij is te licht, en dus trapt hij en trapt hij en hoor je die schroef steeds golven maken in plaats van dat hij die fiets door het water duwt.

Er zijn veel mieren op dit eiland, in de tuin, in de duinen. Er zwemmen een paar eenden, meeuwen wachten op brood en in de boom waar ik tegenaan leun zit een vogeltje, precies tussen de takken kan ik hem zien. Een heel mooi geel vogeltje, geen idee wat zijn naam is maar hij zit daar heel rustig en met die takken erbij lijkt het wel een plaatje uit een natuurtijdschrift. Ook veel vogels op dat eiland. Bijzonder veel. Scholeksters, die hyper zijn als ze vliegen en ook als ze door de weilanden lopen. Weidevogels, wadvogels, meeuwen van allerlei formaat.

Tegen vijf uur cirkelen de meeuwen boven het huisje, een stuk of vijftig. Als ik er eentje probeer te volgen dan verdwijnt die ene meeuw uit het middelpunt van de groep naar buiten, en weg, en als ik een andere meeuw volg dan verdwijnt die op dezelfde manier, en weer een andere ook, en dus kan dit niets anders zijn dan een soort omgekeerd zwart gat in de lucht waar meeuwen ontstaan, niet geboren worden, maar zomaar ontstaan, en waar ze worden losgelaten. We cirkelen om elkaar heen, vier mensen in een gezin...

Ik zoek mossels en oesters en kokkel aan het Wad en mijn zoon zoekt ze ook, die loopt een eind vooruit door de blubber, met zijn nieuwe NIKE-schoenen. Mijn dochter - die kleine - staat in het gras, die is bang voor modder en voor de langs grassprieten en voor beestjes. Mijn zoon zegt steeds: "Er komt een beestje aan. Er komt een oorwurm aan, er komt een sprinkhaan aan, er komt een horzel aan".

We nemen een zak met schelpdiertjes mee naar het huisje. Ik kook de mossels, maar daar zit alleen zand in. In de kokkels ook. De oester ruikt niet goed, die laten we in de tuin liggen en wordt later wel door een meeuw of een andere vogel opgegeten.

Die kleine vertelt een lang verhaal en dat moet op de ansichtkaart voor opa en oma komen. Ze vertelt de hele tijd verhalen in het huisje, als ze veilig is. Ze vertelt over een koenijntje in de bos, zo zei ze het. Ik vind een koenijn een mooie vondst. Een konijn gevlekt als een koe, stel ik me zo voor. Hij is in het bos, verder komt het verhaal niet. "Koenijntje was in de bos, koenijntje was toen in de bos, koenijntje poept in het bos". En dat honderd keer achter elkaar. Ook dat komt op de ansichtkaart. Mijn zoon wil niets schrijven. Hij moet toch. Dan schrijft hij: 'Ik deed niks'. Precies de tekst die hij in deze vakantie het meest gebruikt heeft. 

helemaal aan de oostkant van het eiland staat een driehoekige toren. Het nis eigenlijk halverwege het eiland, maar omdat het vandaag wel waait en de wind uit het oosten komt en ik moe ben, voelt het alsof deze toren helemaal aan de andere kant van het eiland staat. Ik rust uit. Ik drink een halve liter water en eet brood. Daarna drink ik nog wat water. het is te warm om te fietsen, het is te warm om op het strand te liggen, ik wil naar binnen, iets lezen, niet bewegen.

Iedereen is weg. Ik kom uit de douche en loop naar de kamer waar de tv nog aan staat. Dat vind ik prettig, een tv die continu aan staat, maakt niet uit wat er uitgezonden wordt. In een vakantiehuisje met rondom een enorme tuin waar geen paadjes langs lopen, waar geen buren zijn en verder niemand je ziet behalve wat vogels en 's avonds een egeltje, kun je op je gemak vanuit de douche wat door het huis lopen, en heb je geen handdoek nodig, want er is alle tijd en opdrogen bij dertig graden gaat vanzelf, dus ik neem de tijd en loop wat rond tot ik mezelf weerspiegelde zie in de beeldbuis van de televisie. Ik sta precies tussen de vrome gezichten van Little House on the Prairie. Die moeder met haar opgestoken haar ziet er opeens heel anders uit nu ik naakt tussen hen in sta, en ook die kerel heeft een andere blik in zijn ogen. Ik blijf staan en kijk wat deze pioniers doen. De buurman van de familie Ingalls komt op bezoek en het wordt steeds gezelliger. Natuurlijk zijn er weer problemen, maar die zijn opgelost voordat ik helemaal ben opgedroogd.

Later kijk ik naar de Tour de France, naar de etappe die finisht in mende. Ik let op het landschap. Ooit ben ik in die streek geweest, vlakbij Mont Lozere. Je hebt daar nu een enorme brug. Toen ik daar was moest je door een dal rijden, over slingerweggetjes. Ik houd niet van de bergen, eigenlijk, en ook niet van de zee. Ik hou meer van mensen, al moet je die soms ook wat van je afhouden. Als ik in de bergen ben en iemand tegenkom, dan doet me dat goed. Op zee ben ik ook niet graag alleen, aan de kust ook niet. Maar op dit eiland ben ik alleen. Ik ontloop mijn gezin.

Op het strand is helemaal geen schaduw, maar ik ga er wel naar toe, met de kinderen, voor vde kinderen, en zij vinden het mooi, en ik zit in een T-shirt op een handdoek een boek te lezen, met de brandende zon op mijn dunne haar en mijn voeten in het zand, en ook daar heb ik een hekel aan. het is nog warmer geworden. Vijfendertig graden uit de zon. Het waait ook niet, dat lijkt me ook uniek hier op de Wadden. Na een uur of anderhalf schreeuw ik tegen de kinderen dat we vertrekken.

We eten in de tuin, aan een picknicktafel waarvan de bovenste planken groen zijn uitgeslagen. De andere tafel is beter, maar die staat vol in de zon en de stoelen zijn goed, maar ook zwaar en met spullen slepen in de zin, daar begin ik niet aan. Binnen is beter. Ik houd de gordijnen dicht. Ik word kwaad als de kinderen naar binnen komen en de gordijnen niet achter zich dichttrekken. Alleen aan het gasfornuis, met twee pannen en flink wat vuur daaronder, is het te warm. Ik kook zonder shirt, vellen hangen op mijn rug. Als het spettert brand ik mijn buik. Rode vlekjes op mijn huid. We eten aan de picknicktafel omdat die in de schaduw staat. Onder de tafel is het gras hoog. De hond ligt in het gras.

De zon staat achter de bomen, op dit hoekje van de tuin. Ik beweeg me niet, het is te heet, en als ik het gras op loop weet ik, dan smelt ik.

Het wordt vloed. dat gaat heel snel. Ik zie het water komen, moet mijn handdoek en de tas en de kleren en andere spullen keer op keer verplaatsen. Heb ik iets te doen. Dat blikje bier laat ik staan, maar als het water bij het blikje is en er omheen kruipt en het blikje verovert, pak ik het toch op en stop het in mijn tas bij de bananenschillen en de verpakking van de koekjes.

Mijn zoon fietst naast me over de brede weg. Hij slingert flink maar hij is heel geconcentreerd en doet het heel goed. Ik heb een zwart T-shirt aan, al mijn andere shirts zijn gewassen en hangen te drogen in de tuin. Dat gaat heel snel met deze zon. Ik ben blij als we bij het bungalowparkje onder de bomen komen. Mijn zoon wil als eerste bij het huisje zijn.

In de snikhete tuin luister ik naar de kinderen die buiten in een opblaasbaar badje zitten, helemaal aan de rand van de tuin. "Er komt een monster aan", zegt de jongen. En die kleine gilt.

's Avonds loop ik met de hond -het is weer goed. het paadje af naar de asfaltweg en van daar naar de Waddenzee. het is eb, alles is modder en vlak en de zon gaat net onder. Ik wacht tot het donker is en hoor een mannenkoor. Ik zoek ze op in het dorp, die stemmen. Er staan veel mensen te kijken. Ik koop een biertje bij het hotel naast de muziektent. De mannen brommen en de voorzangers zingen vals. Met het publiek heb ik niks. Sigarenrook, roze truien, gesprekken over het lekkende dak van het vakantiehuisje, over wat de tuinman kost, over het huis in Amsterdam. Ik ben onder de mensen, maar deze mensen ontloop ik thuis ook en ik wil die meeuwen weer zien of eigenlijk wil ik naar Amsterdam, waar een helft van de straat altijd in de schaduw ligt, waar de bomen in parken staan en waar ik heel graag binnen zit als het zo warm is, bij de televisie en bij mijn werk, en verder is iedereen weg. Ik ook.