De Ketelmannen
Een oud verhaal dat aan kinderen werd verteld.


Op een winterdag liepen in een ijzige noordooster storm vier mannen. Het was de bemanning van een klein schip, dat op de gronden voor het eiland gestrand was. Tot het hart verkleumd strompelden ze in hun doorweekte kleren het strand af. Ondanks hun lijden en angst, proberen ze de moed er in te houden.



Het enige wat zij meegenomen hadden, was een grote koperen ketel, die ze aan boord als hoosketel hadden gebruikt. Waarom ze die ketel hadden meegenomen, wisten ze zelf ook niet.

Het was weliswaar ochtend, maar het bleef donker. De lucht werd pikzwart en het begon te sneeuwen. Voor hen was niets dan een oneindige zandvlakte. De sneeuwval werd dichter en dichter. En de wind werd harder en harder. Ze hadden het gevoel dat ze rondom in het water stonden, zo hoorden ze de zee aan alle kanten tekeer gaan. Nog altijd liepen ze dicht bij elkaar langs de waterkant. Als ze wat bruikbaars vonden - kaarsvet of ander spul - staken ze het in hun zak. 

Nu ze hoger op het strand kwamen, voelden ze het fijne duinzand door de sneeuw in hun gezicht snijden, wat zeer pijnlijk was in hun door zeewater uitgebeten huid. Maar, dachten ze, dat zand is het beste bewijs, dat ze dichter bij de duinkant kwamen. Met hun grote laarzen aan was het lopen in het mulle duinzand moeilijk.

"We moesten maar twee aan twee gaan", zei de ene, "dan hebben we meer kans om mensen te vinden". De andere twee knikten zwijgend. Ze verdeelden de stukken kaarsvet en zeiden: "Vooruit dan maar". Twee gingen rechtsaf en twee gingen linksaf. Het tweetal dat de ketel had meegenomen was al spoedig niet meer te zien. De sneeuwstorm deed het duinzand opwaaien dat nog niet door helmbeplanting werd vast gehouden.

De mannen hadden maar een gedachte: we moeten in beweging blijven. Als we gaan rusten vallen we in slaap en verstijven we van kou en worden we onder het aanstuivende duinzand bedolven.

Het lopen veel hen zwaarder en zwaarder. Ze hielden elkaar bij de armen beet en strompelden over het strand. Sneeuw en zand gierden om hen heen. Langzaam schuifelden ze voorwaarts, duin op, duin af. Toch was er iets wat ze moed gaf. Het geluid van de zee was steeds verder weg. "Sta eens stil", zei de oudste. "Ik geloof dat ik wat hoor. Ja, luister". 

De sneeuw plakte op hun rug en het zand suisde om hun voeten. Ze hoorden het water, dat uit hun broek en jassen in hun laarzen klotste. Ze zagen de sneeuw als poeder verstuiven en hoorden de stormwind om de duintoppen gieren.

Daar, boven de wind uit, hoorden ze de verdwaalde klanken van een klok die sloeg. Ze grepen elkaar vast en stamelden: "God zij dank". Vanuit de grauwe oneindigheid om hen heen, zagen ze de omtrek van een dorp opkomen, waar ze even later half bevroren en doodop aankwamen.


Al heel snel weet iedereen in het dorp dat er twee schipbreukelingen zijn aangekomen. In de herberg van het dorp vertellen de twee hun verhaal aan de eilanders, die tot hun schrik horen dat ze eigenlijk met z'n vieren waren. Veel mannen uit het dorp gaan de volgende morgen met lampen en een misthoorn er op uit. Maar tevergeefs. Wel vonden ze de koperen ketel.

Daarom:
Als de wind door het helmgras suist en het al donker wordt, maken de spelende kinderen dat ze snel naar huis gaan. Want de grote mensen vertelden dat de Ketelmannen - die nooit gevonden werden - nog altijd ronddwalen...