Het wad

Het waddengebied is ontstaan na de laatste ijstijd, zo'n 7000 jaar geleden. De eilanden bestonden toen nog niet, maar in plaats daarvan lag er een strandwal ten noorden van het vasteland. In het gebied dat ten zuiden van de strandwal lag, ontstonden moeras- en veengebieden. Toen het Noordzee-water steeg, brak dat op een gegeven moment door de strandwal heen. Het zeewater bedekte het achterliggende gebied in de loop van de tijd met lagen zand en slib. Het wad strekt zich uit van Nederland, Duitsland naar Denemarken. Het woord 'wad' is verwant aan het Latijnse 'vadum', dat doorwaadbare plaats betekent.

Tijdens eb vallen de zandplaten droog, gescheiden door meer of minder diepe geulen. Langs de kust vinden we meestal een modderige strook slib. Met iedere vloed wordt het zoute water van de Noordzee door de zeegaten tussen de Waddeneilanden opgestuwd. 


Planten en dieren

De Waddenzee laat zien hoe dieren en planten zich steeds aanpassen aan dagelijks wisselende omstandigheden. Zoet rivierwater mengt zich met het zoute zeewater, er is eb en vloed, en wind en zand en slib worden voortdurend afgezet. De dieren en planten weten zich aan die wisselende omstandigheden vernuftig aan te passen.

Hoe dieren en planten zich hebben aangepast

Dieren en planten hebben zich op allerlei manieren aangepast aan het leven op en in het wad.

-   zoet/zout: ingraven (kokkel); zout uitscheiden (lamsoor); zoet water opslaan (zeekraal.
-   droog/nat: huisje afsluiten bij droogte (mossel, aliekruik, zeepok).
-   zand/zuurstofloos slik: zuurstofrijk water door gang pompen (zeepier); lange siphon om boven
    zand/slik uit te komen (strandgaper).
-   koud/warm: dieper ingraven (nonnetje), wegtrekken naar warmere Noordzee (garnaal. krab).
-   storm/windstil: hechtdraden (mossel), diep ingraven (strandgaper), snel ingraven (kokkel).


Schelpdieren belangrijk voor kwaliteit zeewater

Mosselen leven op de bodem van de Waddenzee. Er zijn naar schatting 100 tot 150 miljard mosselen in het Waddengebied. Ze houden zich door middel van hechtdraden aan elkaar vast, zodat ze niet kunnen wegspoelen (mosselbanken). Het aantal kokkels wordt geschat op 50 miljoen. Net zoals mossels voeden de kokkels zich met het plankton uit het water. Samen met de mosselen filteren de kokkels in 14 dagen al het water van de Waddenzee. Schelpdieren zijn dus een natuurlijk waterfilter en belangrijk voor de kwaliteit van het water.


'Zeedrolletjes'

Het wad ligt vol 'zeedrolletjes'. Die zijn afkomstig van de wadpier. Wadpieren eten het zand op terwijl zij aan het graven zijn. De pier leeft in een U-vormige buis onder de grond. Aan de ene kant gaat het zand naar binnen, waarna alle voedingsstoffen worden verteerd. Het zand dat niet meer nodig is wordt 'uitgepoept' aan de andere kant. Per jaar eet de wadpier 3,5 liter zand.


Het wad leren kennen en ervaren

Het wad leert u het beste kennen en ervaren tijdens een wad-excursie. Onder leiding van een deskundige gids gaat u zelf onderzoeken wat er in de wadbodem leeft. Excursies worden verzorgd door de VVV en het Bezoekerscentrum. En... nee, zo bemodderd (foto rechts) wordt u niet tijdens een excursie. Maar een keer lekker woelen in het wad, laten kinderen zich niet ontgaan! 

 


Heeft u een vraag over de Wadden?

Heeft u een vraag over de wadden?
Stel deze dan in de Vraagbaak en ontvang snel het antwoord.
Klik hier.



> Zie ook onze agenda voor overzicht van excursies.
> Zie ook pagina Werelderfgoed Waddenzee. Klik hier.