|
naar bovenzijde pagina
terug naar overzicht
van verhalen
|
terug naar overzicht
van verhalen
|
Oostmahorn
(winter 1963)
Tekst:
Gerard Ouweneel
Bij het passeren van
Lauwersoog incasseerde het netvlies een voltreffer. Het
parkeerterrein op de kade waarop Schiermonnikoog-gangers hun auto
moeten achterlaten, was voorzien van een dak. Dus een verdubbeling
van de parkeercapaciteit, opnieuw dus winst voor recreatie in het
spanningsveld tussen vertier en natuur, bedacht ik.
Een luik ging open naar de eerste Schierreizen, die ruim een halve
eeuw geleden begonnen. Simon Carmiggelt schreef over een periode in
de vaderlandse geschiedenis waarin gewone mensen uitsluitend in
aanraking kwamen met automobielen, als ze eronder geraakten. In 1955
ging dat nog op. De enkeling die zich toen kon permitteren per auto
naar Oostmahorn te reizen, liet zijn voertuig ergens langs de
Lauwerszeedijk achter.
Die eerste keer ging het dan ook vanuit Rotterdam per fiets naar
Oostmahorn, toen nog gelegen aan open water, de Lauwerszee. Met als
referentie de natie van anno heden, zou het boeiend zijn deze
fiets-odyssee van 1955 nòg eens door dit land te kunnen maken. Maar
ik ontveins mij niet dat de onvervulbaarheid van dat verlangen,
psychisch beter uitpakt.
Zoals in Nederland tussen 1955 en 1965 veel grondig veranderde,
gebeurde dat ook met de reis naar Schiermonnikoog. In die tien jaren
werd de Lauwerszee het Lauwersmeer, verhuisden de afvaarten vanuit
Oostmahorn naar Lauwersoog en kwam op Schiermonnikoog een nieuwe
veerdam, wat oostelijker van de bestaande. En voorts motoriseerde
Nederland. Mèt een paar miljoen landgenoten, belandde ook schrijver
tussen vier wielen, met als tussenstation Vespascooters.
Van alle reizen naar Schier is die van 27 december 1962 het
gedenkwaardigst. Toen winterde het al ruim drie weken stevig in
Nederland, waardoor het openbare leven ging haperen. Eerder dat
najaar zag men op Schiermonnikoog een zeearend, een soort die óók
toen ons vermocht te mobiliseren. Met als alibi die zeearend ging
het daags na Kerstmis naar het noorden.
Conform het beloofde tijdschema leverde het openbaar vervoer ons af
in Oostmahorn. Geconfronteerd met identieke weercondities als
tijdens winter 1962-1963, betwijfel ik hevig of het huidige openbaar
vervoer in staat zou zijn die prestatie nù nog neer te zetten.
De
trein- en busreis door het winterse Friese landschap leverde beelden
op die altijd bijbleven. In Oostmahorn hadden zich voor de overtocht
naar Schier slechts enkele passagiers gemeld. ‘Dat is nogal wiedes’,
verklaarde een bemanningslid, gebarend naar de vol met ijs liggende
Lauwerszee ‘Iedereen probeert van de eilanden af te komen. Het is nu
al moeilijk ze te bereiken. Ik moet nog zien dat het vandaag lukt…!’
De man kreeg gelijk
Na een memorabele tocht over de Waddenzee, bereikte de Brakzand de
rede van Schiermonnikoog. Maar een muur opgekruid ijs belette het
schip af te meren aan de veerdam, waarop een kluitje zorgelijk
samenscholende candidaten voor de terugreis te zien was, gelijk
anderhalve eeuw eerder na Napoleons debacle in Rusland, Franse
gardisten wanhopig samendromden op de oostelijke oever van de
Berezina.
Terug in Oostmahorn volgde de mededeling dat Wagenborg morgen nog
één poging zou ondernemen. Met aan weerszijden van de weg troepen
brandganzen, liepen wij naar Anjum voor logies in de plaatselijke
herberg. De volgende ochtend in Oostmahorn was zelfs de grote
Toxopeus op het steiger aanwezig. Deze gaf luidkeels commentaren ten
beste. Die laatste poging, en het slagen daarvan, is een verhaal op
zich. Aan de winterse zwarigheden was een dichte mist toegevoegd.
Onder de bemanning heerste de kordate stemming van een team dat een
zware klus gaat klaren. Wij demonstreerden een mooi gevoel van
solidariteit door vanaf de boeg in de grijzigheid te speuren naar de
bebakening van de vaargeul. Zo’n baken gevonden, dan volgden wijde
gebaren richting brug. Uiteindelijk gingen wij van boord op een bar,
naar ademstokkend mooi Schiermonnikoog.
Met de veerverbinding was het gedaan. Een luchtbrug naar Leeuwarden
zou het transport overnemen, waarvoor in de gelagkamer van hotel Van
der Werff een lijst voor candidaten kwam te liggen. Een vaag
blijvende commissie beoordeelde de prioriteit. Omdat wij waren
gearriveerd op een tijdstip dat ieder zinnig mens de ijsblokkade kon
voorspellen, waren onze geloofsbrieven pover en belandden onze namen
in de onderste regionen van een verontrustend lange lijst met namen.
En het argument dat aan de overkant alleen maar de studie wachtte,
maakte geen indruk. Integendeel. Voor de vorm informeerden wij nu en
dan bij Van der Werff ‘hoe het ermee stond?’ Dat was niet best, want
de luchtbrug kampte met slecht weer, competitie met de eveneens in
isolement geraakte andere eilanden, te weinig Piper Cubs en
oververmoeide piloten. Soms vloog zo’n toestel laag over het dorp,
op weg naar de geïmproviseerde landingsstrook op het strand, aan het
einde van de Badweg.
De gelagkamer van Vander Werff ontpopte zich óók in deze barre dagen
als het centrum van het dorp, hetgeen het eerbiedwaardige hotel een
sterk stijgende omzet ‘volledige vergunning’ opleverde.
Noodgedwongen was onze bijdrage daarin bescheiden. De financiering
van het zeearendenuitstapje was geknepen uit karige
studenteninkomens, met als onverbiddelijk calculatieresultaat
‘oudejaarsdag terug’. Daarop was geen kijk, zodat wij op die dag
waren gedwongen het studiotje aan de Badweg te verlaten. Het werd de
jeugdherberg, waar vader Balk ons zeer welkom heette en ons direct
aan het sneeuwruimen zette, een arbeid die de volgende dagen vrijwel
permanent doorging. Want de sneeuw viel lang en hevig en de
stormachtige oostenwind joeg deze vanuit de Banckspolder recht de
Langestreek in. De boerderij van Domeinen en Rijsbergen lagen
frontloge in de sneeuwstormen. Omdat in de slaapzaal de temperatuur
daalde tot vijftien graden onder nul, kwam het geploeter in de
sneeuw wel van pas om warm te worden en te blijven.
‘En de vogels?’ zult u terecht vragen. ‘Die zeearend?’ Tja. De
sneeuw maakte Schier in feite onbegaanbaar. Veel verder dan de
Reddingsweg kwamen wij niet. Die zeearend was al lang foetsie. Wel
een ruigpootbuizerd, nogal wat blauwe kiekendieven, in het dorp een
jagend smelleken, een mooie troep fraters en ook patrijzen, een
soort die nu Schier heeft ontruimd. Kort na Nieuwjaar waarschuwde
Balk ons gereed te maken ‘want vandaag gaat het hard met de
luchtbrug’. Even later reed hij ons met zijn Chevrolet naar het
strand, waar wij een Piper Cub beklommen. Deze zette ons 20 minuten
later neer op de luchtmachtbasis bij Leeuwarden. Voor vertrek
verzocht de piloot Iek af te blijven van een uitnodigende handgreep
,omdat anders de deur er zou uittuimelen’. ’s Avonds in Rotterdam.
Vijf maanden na de evacuatie uit het arctische Schiermonnikoog waren
wij er weer. Als bij toverstaf was het eiland veranderd in ‘us lytje
pole’, ons graspolletje. Voor ons ging toen de overtocht voor de
laatste maal vanuit Oostmahorn, waarheen wij voor de eerste maal per
auto reisden. De vooruitgang in een notendop.

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|