Maak uw keuze

   home

   
  accommodaties
   
    geschiedenis
   
    dorp/bereikbaarheid
   
   bezienswaardigheden   
    vredenhof - bunker wassermann
    vuurtoren -  bezoekerscentrum -
    jachthaven - schelpenmuseum -
    walviskaken - de eendenkooi
   
    nationaal park
   
    bezoekerscentrum
 
   excursies
   
    landschappen/natuur
     wad - polder - westerplas -
     bos - kwelder - duinen -
     strand
   
    activiteiten
   
  verhalen
   
   taal
   
  •  kunstenaars
    en 't eiland
   
    
   
    links / © 2011
   
    mail webbeheerder
   
    inhoudsopgave site
 









naar bovenzijde pagina













terug naar overzicht
van verhalen


























 


terug naar overzicht
van verhalen


 



 











 




    
  
 

 
Oostmahorn
   (winter 1963)
Tekst: Gerard Ouweneel

Bij het passeren van Lauwersoog incasseerde het netvlies een voltreffer. Het parkeerterrein op de kade waarop Schiermonnikoog-gangers hun auto moeten achterlaten, was voorzien van een dak. Dus een verdubbeling van de parkeercapaciteit, opnieuw dus winst voor recreatie in het spanningsveld tussen vertier en natuur, bedacht ik.

Een luik ging open naar de eerste Schierreizen, die ruim een halve eeuw geleden begonnen. Simon Carmiggelt schreef over een periode in de vaderlandse geschiedenis waarin gewone mensen uitsluitend in aanraking kwamen met automobielen, als ze eronder geraakten. In 1955 ging dat nog op. De enkeling die zich toen kon permitteren per auto naar Oostmahorn te reizen, liet zijn voertuig ergens langs de Lauwerszeedijk achter.

Die eerste keer ging het dan ook vanuit Rotterdam per fiets naar Oostmahorn, toen nog gelegen aan open water, de Lauwerszee. Met als referentie de natie van anno heden, zou het boeiend zijn deze fiets-odyssee van 1955 nòg eens door dit land te kunnen maken. Maar ik ontveins mij niet dat de onvervulbaarheid van dat verlangen, psychisch beter uitpakt.

Zoals in Nederland tussen 1955 en 1965 veel grondig veranderde, gebeurde dat ook met de reis naar Schiermonnikoog. In die tien jaren werd de Lauwerszee het Lauwersmeer, verhuisden de afvaarten vanuit Oostmahorn naar Lauwersoog en kwam op Schiermonnikoog een nieuwe veerdam, wat oostelijker van de bestaande. En voorts motoriseerde Nederland. Mèt een paar miljoen landgenoten, belandde ook schrijver tussen vier wielen, met als tussenstation Vespascooters.      

Van alle reizen naar Schier is die van 27 december 1962 het gedenkwaardigst. Toen winterde het al ruim drie weken stevig in Nederland, waardoor het openbare leven ging haperen. Eerder dat najaar zag men op Schiermonnikoog een zeearend, een soort die óók toen ons vermocht te mobiliseren. Met als alibi die zeearend ging het daags na Kerstmis naar het noorden.

Conform  het beloofde tijdschema leverde het openbaar vervoer ons af in Oostmahorn. Geconfronteerd met identieke weercondities als tijdens winter 1962-1963, betwijfel ik hevig of het huidige openbaar vervoer in staat zou zijn die prestatie nù nog neer te zetten.

De trein- en busreis door het winterse Friese landschap leverde beelden op die altijd bijbleven. In Oostmahorn hadden zich voor de overtocht naar Schier slechts enkele passagiers gemeld. ‘Dat is nogal wiedes’, verklaarde een bemanningslid, gebarend naar de vol met ijs liggende Lauwerszee ‘Iedereen probeert van de eilanden af te komen. Het is nu al moeilijk ze te bereiken. Ik moet nog zien dat het vandaag lukt…!’ De man kreeg gelijk

Na een memorabele tocht over de Waddenzee, bereikte de Brakzand de rede van Schiermonnikoog. Maar een muur opgekruid ijs belette het schip af te meren aan de veerdam, waarop een kluitje zorgelijk samenscholende candidaten voor de terugreis te zien was, gelijk anderhalve eeuw eerder na Napoleons debacle in Rusland, Franse gardisten wanhopig samendromden op de oostelijke oever van de Berezina.

Terug in Oostmahorn volgde de mededeling dat Wagenborg morgen nog één poging zou ondernemen. Met aan weerszijden van de weg troepen brandganzen, liepen wij naar Anjum voor logies in de plaatselijke herberg. De volgende ochtend in Oostmahorn was zelfs de grote  Toxopeus op het steiger aanwezig. Deze gaf luidkeels commentaren ten beste. Die laatste poging, en het slagen daarvan, is een verhaal op zich. Aan de winterse zwarigheden was een dichte mist toegevoegd. Onder de bemanning heerste de kordate stemming van een team dat een zware klus gaat klaren. Wij demonstreerden een mooi gevoel van solidariteit door vanaf de boeg in de grijzigheid te speuren naar de bebakening van de vaargeul. Zo’n baken gevonden, dan volgden wijde gebaren richting brug. Uiteindelijk gingen wij van boord op een bar, naar ademstokkend mooi Schiermonnikoog.

Met de veerverbinding was het gedaan. Een luchtbrug naar Leeuwarden zou het transport overnemen, waarvoor in de gelagkamer van hotel Van der Werff een lijst voor candidaten kwam te liggen. Een vaag blijvende commissie beoordeelde de prioriteit. Omdat wij waren gearriveerd op een tijdstip dat ieder zinnig mens de ijsblokkade kon voorspellen, waren onze geloofsbrieven pover en belandden onze namen in de onderste regionen van een verontrustend lange lijst met namen. En het argument dat aan de overkant alleen maar de studie wachtte, maakte geen indruk. Integendeel. Voor de vorm informeerden wij nu en dan bij Van der Werff ‘hoe het ermee stond?’ Dat was niet best, want de luchtbrug kampte met slecht weer, competitie met de eveneens in isolement geraakte andere eilanden, te weinig Piper Cubs en oververmoeide piloten. Soms vloog zo’n toestel laag over het dorp, op weg naar de geïmproviseerde landingsstrook op het strand, aan het einde van de Badweg.

De gelagkamer van Vander Werff ontpopte zich óók in deze barre dagen als het centrum van het dorp, hetgeen het eerbiedwaardige hotel een sterk stijgende omzet ‘volledige vergunning’ opleverde. Noodgedwongen was onze bijdrage daarin bescheiden. De financiering van het zeearendenuitstapje was geknepen uit karige studenteninkomens, met als onverbiddelijk calculatieresultaat ‘oudejaarsdag terug’. Daarop was geen kijk, zodat wij op die dag waren gedwongen het studiotje aan de Badweg te verlaten. Het werd de jeugdherberg, waar vader Balk ons zeer welkom heette en ons direct aan het sneeuwruimen zette, een arbeid die de volgende dagen vrijwel permanent doorging. Want de sneeuw viel lang en hevig en de stormachtige oostenwind  joeg deze vanuit de Banckspolder recht de Langestreek in. De boerderij van Domeinen en Rijsbergen lagen frontloge in de sneeuwstormen. Omdat in de slaapzaal de temperatuur daalde tot vijftien graden onder nul, kwam het geploeter in de sneeuw wel van pas om warm te worden en te blijven.

‘En de vogels?’ zult u terecht vragen. ‘Die zeearend?’ Tja. De sneeuw maakte Schier in feite onbegaanbaar. Veel verder dan de Reddingsweg kwamen wij niet. Die zeearend was al lang foetsie. Wel een ruigpootbuizerd, nogal wat blauwe kiekendieven, in het dorp een jagend smelleken, een mooie troep fraters en ook patrijzen, een soort die nu Schier heeft ontruimd. Kort na Nieuwjaar waarschuwde Balk ons gereed te maken ‘want vandaag gaat het hard met de luchtbrug’. Even later reed hij ons met zijn Chevrolet naar het strand, waar wij een Piper Cub beklommen. Deze zette ons 20 minuten later neer op de luchtmachtbasis bij Leeuwarden. Voor vertrek verzocht de piloot Iek af te blijven van een uitnodigende handgreep ,omdat anders de deur er zou uittuimelen’. ’s Avonds in Rotterdam.

Vijf maanden na de evacuatie uit het arctische Schiermonnikoog waren wij er weer. Als bij toverstaf was het eiland veranderd in ‘us lytje pole’, ons graspolletje. Voor ons ging toen de overtocht voor de laatste maal vanuit Oostmahorn, waarheen wij voor de eerste maal per auto reisden. De vooruitgang in een notendop.               



terug naar overzicht van verhalen                 naar bovenzijde pagina