|
|
terug naar overzicht
van verhalen
|
Glibberen naar de
Kobbeduinen
Tekst:
Koos Dijksterhuis
De Waddenzee
staat tegen de dijk van Schiermonnikoog en knabbelt aan de oude
steiger. Na twee dagen dooi ligt de steiger nog aardig vol
ijsschotsen. De jachthaven is ontmanteld voor de winter.
Het slibdepot bij de haven is nog bevroren. We zakken er niet in
weg. We hopen er fraters te zien zwermen, of sneeuwgorzen, of
strandleeuweriken. Maar die zien we niet.
Het opgespoten
kweldertje is bedekt met lang gras, dat gebukt gaat onder resten
sneeuw. Vogels zijn daar niet, die staan aan de rand op het wad:
scholeksters vooral, een paar rotganzen, bonte strandlopers, wilde
eenden, slobeenden en pijlstaarten.
Pijlstaarten hangen bij vorst altijd met vele rond op het wad van
Schier. Het zijn mooie eenden, met die lange puntstaart en die lange
witte punt die van hun hals achter hun donkere gezicht langs naar
boven wijst. Steenlopers zijn er niet. Die zitten binnendijks op het
maïsstoppelveld. Ook goudplevieren en enkele bonte strandlopers
scharrelen daar. Strand- en steenlopers op een maïsakker, het moet
niet gekker worden. En niet zo weinig steenlopers ook – honderden.
Daarachter groepen brand- met enkele rotganzen. De brandjes keffen,
de rotjes zeggen rororoh.
We lopen de dijk helemaal af, naar het oosten. De noordkant van de
dijk is sneeuwwit, de zuidkant grasgroen.
We glibberen over het beijsde schelpenpad naar de Kobbeduinen. Op
het baken zit een sperwer, hij zweeft langs ons, zijn oranje buik
verraadt dat het een mannetje is.
Bij het Kobbeduinenbaken heeft Natuurmonumenten een kleurrijk bord
neergezet, met de tekst: Baken Kobbeduinen. Er staat ook een
prullenbak, leeg op de verpakking van een chocoladeletter na (een
I).

Naar aquarel van
Geurt Busser
Het miezert als we teruglopen. Vijf grauwe ganzen gaan gakkend op de
wieken.

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|