Op een dag in
augustus kreeg ik de kans met vier Groningse zeekanoërs een
tocht over de wadden van Lauwersoog naar Schiermonnikoog te
maken.
Voorbereiding
Op 18 augustus is
het ’s ochtends even de laatste zaken organiseren: kleding voor
verschillende weersomstandigheden, foerage en uitrusting in de
auto leggen. M’n sirius ligt al op de auto. Ik haal mijn
kanovriend Frank van huis op. Samen rijden we naar Lauwersoog
waar we de drie andere tochtvaarders zullen ontmoeten. We moeten
om half één met de boten in het water liggen.
Bij aankomst in
Lauwersoog zie ik een vertrouwd beeld: een man op een krukje
speurt met een mooie Swarovskitelescoop de zee af. Vogeltjes
kijken is een andere hobby van me. Ik heb nu alleen geen tijd
voor een praatje over zijn waarnemingen. Vandaag ben ik
allereerst kanoër. Het is omkleden en de boot inpakken geblazen.
Vlak voor vertrek meldt tochtgenoot Marlies ons groepje aan bij
de vuurtoren van Schiermonnikoog.
Van boei naar boei
Precies om half 1
zitten we alle vijf in onze boten, gereed voor vertrek. Tussen
de vissersboten door (het zijn de garnalendagen..) varen we de
havenmonding uit. Daar staat een stevige stroming. Ik heb
daardoor weinig tijd om op de verschillende vogelsoorten te
letten. De steenlopers op de pier vallen me uiteraard wel op,
evenals verschillende meeuwensoorten.
Ons reisdoel is een
kreek tussen de Kobbeduinen en Westerduinen, ter hoogte van
strandpaal 11. Een afstand van ongeveer 12 km (zie kaart). We
houden 20 graden aan (NNO) en zoeken onze eerste
herkenningspunten: de groene boeien O1 en O3.
Het is nu opkomend
tij. De wind blaast met 3 Bft uit het zuidwesten. We hebben wind
en stroming op dit stuk in de rug. Dat zorgt voor een lange
deining: golven van zo’n 40 centimeter hoogte dagen ons uit. Dat
is niet bepaald hoog, maar surfen lukt heel aardig. De eerste
kilometers schieten zo ongemerkt onder onze peddels door. Het
zoute water loopt spetterend over de dekken. Mijn mondvoorraad
aan dek wordt van een zoutlaagje voorzien: pisang garam (zoute
banaan). Eenmaal aangekomen bij boei O7 in ‘de Schildknoopen’
geeft tochtleider Robert een koerswijziging op: 0 graden (pal
noord). We kijken naar de skyline van Schiermonnikoog:
vuurtoren, watertoren, zendmast en natuurlijk de duinenrij. Ook
zien we verschillende ‘wolken’ vogels, die zich verzamelen op de
kwelders van Schier nu het hoog water wordt. Ze ballen samen en
spreiden zich in de lucht; een geweldig ballet.
Eigen koers
Vanaf nu zijn er
geen boeien meer en varen we over ongemarkeerd gebied. Hier
liggen de zandbanken die bij eb droogvallen. De stroming zet ons
naar het oosten weg. Zo blijven we keurig uit het
Brakzandstergat. Dat is tot van 15 mei tot 1 september voor
boten gesloten om de zeehonden rust te geven. Het vogelleven
bestaat op dit stuk vooral uit overvliegende meeuwensoorten in
allerlei leeftijden en ruistadia.
Geleidelijk aan
wordt het water woeliger: de golven lijken van alle kanten te
komen. We zitten nu op het wantij. Hier botsten de aan beide
kanten om Schiermonnikoog heenlopende vloedstromen op elkaar. De
duinenrij van Schier nadert langzaam maar zeker. Nu komt het op
navigeren aan, want we zoeken een kreek van ongeveer vijftien
meter breedte tussen de Kobbeduinen en Westerduinen.
Enkele honderden
meters voor de kustlijn is de waterdiepte misschien dertig
centimeter. Dat is lastig peddelen. Onze kano’s worden ook nog
eens geremd door de eigen waterverplaatsing die op de
waddenbodem stuit. Iets vroeger en we hadden moeten lopen.
Vlakbij de kust is het water dieper en kunnen we zonder
problemen peddelen naar onze kreek.
Door de kreek naar
de duinen
De zuidzijde van
Schiermonnikoog bestaat hier uit kwelders: land dat normaliter
droog ligt en alleen bij springtij en storm onderloopt. In de
oostplaat van Schier lopen enkele kreken. Daarin staat bij hoge
vloedstanden genoeg water voor een kano. Dat is vandaag het
geval. We varen de kronkelende kreek in. De kwelders zijn
groenpaars van kleur van de zeekraal (lekker!), lamsoor,
zeeaster, zandraket en ogentroost. Steltlopers roepen ons aan
alle kanten tegemoet: wulp, bosruiter, oeverloper, zwarte
ruiter. Ook graspiepers en gele kwikstaarten zijn van de partij.
Ondanks het wat bewolkte weer scheurt ook een atalanta voorbij.
Tochtgenoot Cor meldt hier vorige maand een griel (= zeer
zeldzame vogel !) te hebben gezien.
Rustig varen we
achter elkaar de kreek door. Kronkelend zoeken we de
buitenbochten: die zijn het diepst. Na een paar honderd meter
zien we twee kleine zilverreigers. We kunnen ze mooi zien jagen.
We laten ons uitdrijven maar komen uiteindelijk toch te
dichtbij. Ze vliegen om ons heen (hun gele tenen zijn met het
blote oog te herkennen) en strijken weer snel neer. De jachttijd
is voor hen beperkt.
Slingerend vervolgt
de kreek zijn weg. Als ik een tijdje voorop vaar voel ik me een
ontdekkingsreiziger: het is niet te zien dat hier ooit iemand is
geweest. Na ruim twee kilometer kunnen we niet meer verder
varen: we staan aan de voet van de duinen. In een kano! Uniek!
We trekken de boten
op de oever, pakken onze mondvoorraad en zoeken een plekje op
een duintop. Hoewel onderbroken door de strandweg (onverhard)
loopt deze kreek door tot op het Noordzeestrand. Bij extreem
hoog water zou je dus door moeten kunnen varen!!
Op de Noordzee
staat overigens vandaag een stevige branding met mooie
overslaande koppen. In de lunchpauze geniet ik met volle teugen
van het prachtige uitzicht. Helaas heb ik geen camera noch
verrekijker bij me.
Terugtocht
Na drie kwartier
genieten is de pauze om: wanneer we nu niet vertrekken moeten we
de boten slepen of zelfs dragen. We hebben nog wel tijd om op de
terugweg van het vogelleven en kwelderlandschap rondom de kreek
te genieten. De zilverreigers laten zich weer van dichtbij zien.
Eenmaal op het wad
blijkt dat we door moeten peddelen. De kano’s lopen bijna aan de
grond. Tien minuten later en het was lopen geblazen. Hoe vind je
in zulk ondiep water de diepste plekken? Gewoon niet op de
plaatsen af varen waar groepjes vogels staan.
Het vogelleven op
het wad komt nu echt op gang. Op verschillende plaatsen om ons
heen vliegen grote groepen steltlopers in enorme slierten rond,
op zoek naar de eerste droogvallende platen.
Wij koersen 180
graden: pal zuid. Het zicht is minder geworden, we zien het
Groningse vasteland als een grijze streep; boeien zijn niet te
zien. De wind staat nu tegen de stroom in: dat levert korte
spetterende golfjes op. Ondanks intensief speuren zien we geen
drijvende ‘voetballen’ ofwel zeehondenkoppies. We hebben helaas
geen tijd om rustig rondom zandplaat ‘Oort’ te varen. Daar
liggen vaak twintig of meer zeehonden te rusten, is de ervaring
van de Groningers.
Na een half uurtje
zien we de bekende groene boeien weer en houden we de windmolens
van Lauwersoog aan. Kirrend vliegt een dwergstern laag over ons
groepje. Ook noordse stern, grote stern en visdief zijn van de
partij. Sneller dan gewild maak ik me klaar voor de landing. Op
onze vertrekplaats kunnen we niet meer uitstappen; het water
staat te laag. Dat moet nu op een met basaltblokken bezaaid
‘strandje’ ten oosten van de havenmonding. Alle boten komen
gelukkig zonder schade op de wal.
Tijdens het
omkleden blijft het genieten van de zeelucht en de voor de haven
jagende sterns en meeuwen. Een prachtgezicht. En in de dagen
erna denk ik met regelmaat terug aan deze tocht. Kanoën tot in
de duinen: een prachtervaring.
Tochtlengte: ca. 40
km.