|
|
terug naar overzicht
van verhalen
|
Dagjesmensen, bleekneusjes en Kriegsverletze
door Ebel
Pol
In de vijftiger jaren was het woord 'toerisme' nog onbekend op
Schiermonnikoog. Wie waagde er nu een tocht naar het eiland? Dat was
een avontuur! Niet zelden zat je zomaar een uur vast op het wad, had
de boot zich - door een altijd grillig spel van zand en zee -
vastgewurmd en kon de steiger niet bereikt worden!
'Dagjesmensen' - ofwel de badgasten voor een dag - werden dan ook
met verwondering nagewezen; die hadden lef! Wij mochten lekker
blijven; wekenlang, in een tent, tussen de duinen.
Na
ruim vijftig jaar zit de lucht van duinen en zee nog in mijn longen.
Ieder jaar kom ik even terug om deze weer een 'schierstoot' te
geven. Als dagjesmens... verdronken in de massa. Soms blijf ik een
nachtje over; nadat de laatste boot is vertrokken, vind je dan voor
even de oorspronkelijke rust weer terug.
Vijftig jaar geleden was er nog alle ruimte op het eiland. Regels
waren zeldzaam. De vrijheid was groot. Legendarisch - vaak
aangehaald binnen de familie - is dan ook mijn uitstapje als
éénjarige. Geheel zelfstandig aan de sjouw vanaf het kampeerterrein,
het tegelpaadje over, richting Karrepad, om naar 'Tut' (Schuts
warenhuis) te gaan. Zo ver ben ik vast niet gekomen.

De auteur van het
verhaal links op de foto, rechts zijn zus.
Een volgende keer ging het wel zeker in de bolderkar; houten wielen
met bandstaal, gehuurd bij Soepboer, hoek Karrepad. Weggedoken in
deze kar, ratelend voortgetrokken over de Badweg boodschappen halen
of over de schelpenpaden richting strand. Ik kon vrij om mij heen
kijken. Of bij vader achterop de fiets. De schepjes aan de fiets
gebonden, fietsend over het strand langs de vloedlijn.
Heb ik daaraan - van zo lang geleden - dan nog herinneringen? Ja.
Misschien worden door het ongewone, de sfeer van vakantie, het licht
en de geuren de herinneringen wel in het bijzonder vastgehouden. Zo
zie ik nog de slingers van kinderen die achter de leidster aan die
door de duinen trokken. 'Bleekneusjes' werden ze steevast kortweg
door mijn ouders genoemd. Kinderen van Elim of St. Egbert.
|
Als je deze 'vakantiekolonies' passeerde hoorde je ook
altijd de opgewonden kinderstemmen. Ik was blijkbaar
geen bleekneusje, want ik mocht bij pappie achterop. Wat
moest je eigenlijk doen om er bij te horen? Ik vond dat
onduidelijk en verwarrend en niet zelden zou ik na onze
heerlijke vakanties misschien ook wel stiekem een
bleekneusje voorgewend hebben; om nog even met emmertje
en schepje de duinen in te kunnen. |
 |
Met de verwondering die zo alleen kinderen eigen is, keek ik ook
naar de vele mannen die, zo leek het, allemaal zo ánders waren. Een
enkeling had één been en liep met krukken en ander maar één arm of
had een lapje voor het oog. Soms ook ontbraken beide benen. Een
vreemde mengeling van handicaps die in veelvoud voorkwamen! Ze
vielen op; ik keek om vanuit mijn zitje op de fiets of vanuit de
bolderkar, maar ik mocht er niet naar wijzen! 'Kriegsverletzte' was
ook zo'n woord dat bij het (mijn) Schiermonnikoog van toen past.
Ruim vijf tot tien jaar na de grote wereldbrand zochten Duitse
families met gehavende pappies kennelijk ook veelvuldig het eiland
op om vakantierust te vinden. Nee, mijn ouders hadden het er niet zo
op. De oorlog was nog vers in het geheugen en 'Duitsers' was nog
steeds verkeerd volk. Mijn moeder berichtte ook niet zelden, met
ongenoegen, dat de Duitsers bij Schut weer voorrang kregen...
Toen dan ook - enige jaren later- jonge Duitsers, energiek en
vlot, en wel helemaal op de fiets uit Bad Zwischennahn.
naar
Schiermonnikoog gekomen, met mijn zusjes flirtten, was de boot aan.
Toen wij alweer thuis waren en zij unterwegs naar de Heimat bij uns
eine Tasse Tee kwamen drinken waren zij echter welkom. Zo erg kan
het dus niet geweest zijn, maar het is verder ook nooit wat
geworden…

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|