|
|
terug naar overzicht
van verhalen
|
Schier(s)e geurherinneringen
door Ebel
Pol
Zes weken
lang eilandvreugd
In mijn jonge - vijftiger - jaren hebben wij (mijn ouders, zussen en
ik) jaren achtereen de zomervakanties op het eiland doorgebracht.
Drie maanden oud was ik bij de eerste ontmoeting; iedere zomer zes
weken lang eilandvreugd. Mijn band met het eiland is stevig.
Schiermonnikoog zit ook in mijn neus gebakken. Een waaier van
geurherinneringen heb ik opgeslagen. Als 'het doosje' opengaat zijn
daar weer de beelden.
De kookkist
Het eilandgevoel begon met het tevoorschijn halen van de 'kookkist'.
Deze kist kreeg een plekje in het halletje van ons huis en was deel
van de voorpret. Het bouquet van deze kist was een vreemde mix van
restgeuren van het vorige jaar, stof, het blanke vurenhout aan de
binnenkant en de groene verf aan de buitenzijde. Je kon er in
kruipen, spelen, tot dat hij gevuld was met alle (kook- en andere)
benodigdheden voor een wekenlang kampeerverblijf op 'Schier'.
Als de zware kist vol was, dan werd deze met vereende, verzamelde,
krachten naar de boot van Boersma gebracht. De eilander broers
Boersma onderhielden vanaf de ligplaats vlak achter de Kapteijnbrug
in Groningen een beurtvaartdienst en voeren zo tweemaal per week
naar het eiland.
Zeehonden
Soms gingen wij mee aan boord, bovenop het dek. In alle vroegte weg.
Een flink aantal uren varen via het Reitdiep, de sluizen in
Zoutkamp, dan de Lauwerszee en de Waddenzee, langs de zandplaten met
de vele, vele zeehonden. Je róók ze in het voorbijgaan, zo dichtbij
waren ze. Onverstoord lagen ze in groepen bij elkaar met hun natte,
zilte vachten. Ook de boot van Boersma prikkelde de neus: het
zeildoek over het ruim, het verfwerk van de boot, het buiswater en
de ronkende diesel, sputterend in de olie.
't Aailand
Met het aanmeren aan de oude pier, met het zicht op de groene
zeedijk en de neus vol van de geur van het gedroogde zeewier dat in
grote bossen aan de basaltblokken was verkleefd, kon het feest van
de vakantie op 't aailand' echt beginnen. (Eens kreeg ik aan de voet
van de pier een huilertje in mijn armen gedrukt; de stank van de
zeehondenbaby was niet te harden, maar wat keek 'ie lief !)
Eindeloze reis
Als we om wat voor redenen ook, niet met de Boersma-boot gingen, dan
reisden we met de bus. De lichtgroene Marnedienstbus vertrok van de
halte aan de kop van de Bedumerweg in Groningen. Schokkend, zoekend
naar de goede versnellingen, ronkte de lawaaierige bus door de
provincie. Naast de dieseldampen kwamen de geuren van het bladderend
chroomwerk van de stoelen, het craquelé van het (kunst?)leer mijn
neus binnen. De reis leek eindeloos. Bij het uitstappen in Zoutkamp
vulden de longen zich met zeelucht (de Lauwerszee lag direct achter
de dijk) en de mix van visrokerijen en garnalen, want werkelijk: uit
alle poriën steeg deze lucht op in dit dorp.
De boot
Daar lag de boot: in de vroege vijftiger jaren nog 'de Vooruitgang
III' met de harde houten banken; later de waanzinnig luxe, blinkend
witte en veel grotere 'Schiermonnikoog. Via Oostmahorn het Wad op.
Bij laag water kon het gebeuren dat de boot vastliep en de
passagiers moeten overstappen op de 'Brakzand' die vervolgens
zwalkend tussen de zwart-grijze modderige zandbanken en de geulen
het laatste stuk tot de aanlegsteiger aflegde.
Kampeerterrein
Dan naar het kampeerterrein, het gebied achter de vuurtoren.
Kampeerterrein, inderdaad zo heette het (niks geen camping) en meer
was het ook niet. Sober, maar wat een ruimte, zo net achter de brede
(zee) duinenstrook! Kamperen was toen nog bijzonder. Zand,
helmgras, oneindig vele konijnenkeutels van de horden konijnen die
rondhipten (de myxomatose moest nog toeslaan), de
elektriciteitspalen vol creosoot, die dwars door het gebied liepen:
alles had geur !
De tent zelf was een oude legertent, met zijn zware tentdoek en de
polsdikke tentstokken en het dikke touwwerk. Het was een
overblijvertje van de oorlog. In de zon was het binnen niet te
harden; het donkere doek broeide. Bij regen kwamen weer heel andere,
zware, geuren vrij.

Vakantie op 't eiland
(1953)
Bij aankomst op onze kampeerplek lagen de bestelde strobalen klaar.
Boersma had deze gebracht met zijn ronkende Chevrolet-vrachtwagen,
ook een overblijvertje van de bevrijders.

Het stro werd achterin de tent verspreid en diende, afgedekt met
zeildoek, als een geurend, maar stoffig en in de neus kriebelend
matras. In de diep gegraven gaten naast de tent werd simpelweg het
(vuil)water geloosd; het natte zand reageerde met heftige geuren,
stank. Graven, kuilen graven naast de tent mocht nog en met gejut
aangespoeld afvalhout werden er door mijn vader de mooiste zitjes in
gefabriekt.
Overigens: wat een afval lag er toen op het strand: hout, touwwerk,
alles met een zilt aroma, stookolie, flessen. Wat is het nu dan
schoon!
Winkels
In de tijd vóór de supermarkten moest het voedsel bij elkaar worden
gesprokkeld door een rondgang langs de middenstand. De groenteboer
(De Boer aan de Middenstreek met zijn melancholische blik en de
fascinerende aardappelschrapmachine die voor zijn gevel stond), de
bakker (Klontje, Middenstreek, maar er waren nog drie anderen. De
brosse, smakelijke, eilander koeken haalden wij altijd bij de bakker
aan de Langestreek), de slager (Arends, Badweg, slachtte zelf,
vanuit de winkel was er soms een doorkijkje in de bloederige, warm
geurende, slachtplaats) en de zuivelwinkel (en wat kan verse melk,
boter en kaas samen in een kleine ruimte toch bijzonder ruiken).
Topper was de vanillevla; zeker met de (emmertjes vol) aangevoerde,
geurige, zelfgeplukte bramen !
Een enkele keer bracht een kennis op het eiland ons een 'maaltje'
vers gevangen platvis. Het suizen van de butagasvlam onder de bakpan
leverde de lekkerste vis op die ik ooit heb gegeten !
Petroleumstel
| In deze geurenwaaier past nog een ander parfum: de lamp en het
petroleum(sudder)stel op de kookkist brandde op de brandstof die
Lytje Willem met zijn handkar kwam brengen. In maatjes werd de
hoeveelheid afgemeten en overgegoten in het petroleumblik. Daarbij
werd zo wel het een en ander gemorst; in kleurige kringen vond het
zijn weg in de zandbodem. |
 |
Drinken 'uit een flesje'
Met het stijgen der jaren en de toenemende welvaart kan aan het
geur- (en smaak)feest van de Schiermonnikoger vakanties nog een
andere beleving worden toegevoegd. De waterige dun aangelengde
siroop (Ranja) werd ingeruild voor 'frisdrank', een nieuwerwetse
term voor drinken uit een flesje en dat je bij De Toko of bij Schut
kon halen: Exota, Hero Perl, Joy, dat waren de 'toppers' van toen.
Het water bij de tent werd gehaald en bewaard in een oude melkbus,
dat alleen gaf al geur en smaak af. Mijn vader hield vol dat er
nergens zulk lekker water was te vinden dan op Schier; hij kon dat
zelfs ruiken. Dat kwam mij wat overdreven voor, maar dit duinwater
is nog steeds erg lekker.
Ook de geur van het bij bar 'De Koele' (Hotel Duinzicht, een slijter
was er kennelijk niet) gehaalde jenever die vader soms in kleine
glaasjes 's avonds in het petroleumlicht tot zich nam was voor mij,
met de mixodeur van tentdoek, kookkist en petroleumdamp, opsnuivend
vanuit het krakende stromatras, bijzonder. Dit alles het kleurde het
bijzondere vakantiegevoel.
Ik mis de geuren van toen
Als ik nu op Schiermonnikoog kom mis ik al deze geuren. De bakkers
die op meerdere hoeken van het dorp hun ovens hadden, zijn
verdwenen, de geteerde elektriciteitspalen zijn weg. De centrale aan
de voet van de watertoren, met het aan de buitenkant afkletterend
koelwater met de eigen dampgeuren, ook. Een zuivelhandel is er niet
meer, evenals het doktershuis van dokter Van Hiele met zijn vage
geuren van ether en teerzalf (vreemd: er was altijd wel wat in onze
vakanties: een hevige oorontsteking, of huidirritatie door een
geel/zwarte rupsenplaag, het trekken van kiezen; ik heb de
wachtkamer menigmaal gezien en dus geroken).
En
verbeeld ik het me nu of hadden de gele steentjes die vroeger de
gehele Badweg sierden ook een geheel eigen aroma ?

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|