|
|
terug naar overzicht
van verhalen


|
Belevenissen: 4 dagen 'eenzaam' in de kou
Tekst en
foto's:
Bram van der Klundert
27 januari:
de tent staat; het ervaren kan beginnen
De mannen die de tent hebben opgezet - en de beheerders van
Natuurmonumenten die water en hout hebben gebracht - vertrekken. Ik
probeer mijn enthousiasme en dankbaarheid over te brengen.

En dan ben
ik - na alle voorbereidingen - eindelijk alleen in 'mijn wildernis'. De
komende vier dagen verwacht ik niemand te hoeven spreken. Mijn
telefoon en i-pod zijn uit, alleen in geval van acute en
onoverkomelijke behoefte aan contact of muziek zal ik ze aanzetten.
Ik heb een vogelboek bij me en verder maar één boek (een biografie
van Boeddha) om af en toe in te lezen als de eenzaamheid me te veel
zou worden want ik wil niet veel gaan lezen. Ik wil immers in de
wildernis zitten en niet in een boek.

Van 'druk,
druk' naar absolute rust
De overgang doe ik cold-turkey; in een keer van bergen mail, post,
afspraken en telefoontjes naar de absolute rust. Het is bewolkt en
over een uur zal het donker zijn. Ik wil graag nog even wandelen. Ik
zet de kachel vast klaar en zoek mijn lamp op zodat ik als ik
in het donker terugkom licht heb en de tent snel kan opwarmen, het
is nu al rond het vriespunt.
Vrij en
nieuwsgierig
Ik voel me vrij, nieuwsgierig en ben helemaal opgewonden over deze
prachtige plek. Ik ren het duin op en haal diep adem. Heerlijk:
weidsheid in mijn lijf en om me heen.

Ik loop langs het strand
naar het oosten, daar is al snel weer een duindoorbraak. Voor de
duinenrij is een heel breed strand afgezet de afgelopen jaren. Er is
zo een half eiland aan de noordkant van het eiland bijgekomen. Het
strand is hoog, er loopt een stroompje uit naar het zuiden, de
kwelder in. Zo te zien loopt het door tot aan de Waddenzee. Aan de
planten te zien moet er op het strand een zoetwaterbel zijn
ontstaan. Ik proef een beetje uit het stroompje, en het is inderdaad
zoet water.
In de duintjes langs de
slenk zitten hazen. Prachtige dieren, die vaak in paartjes lijken te
leven. Soms komt zo’n paartje een duin omgerend, om elkaar heen
dartelend als een verliefd stel, een en al oog voor elkaar. Als ze
me zien staan ze plotseling stil met gestrekte voorpoten en stuiven
vervolgens weg. Hun oren zijn prachtig zwart-wit getekend in deze
tijd zodat het even lijkt of er een antilope met zijn zwart-witte
kont weg rent. Soms trekken ze even een sprintje met hun oren plat
op hun rug, alsof ze er plezier in hebben om even flink gas te
geven.
Ik loop nog even naar zee, dat is een heel eind. Het wordt
donker, van de kleuren blijven alleen zandige en grijze kleuren
over. De hemelkoepel is egaal grijs, op lichtere plekken lijkt de
koepel van bovenaf nog licht door te laten van de zon die al onder
is.
Donker
Als ik ter hoogte van de doorbraak - waar mijn tent staat -
terugloop kom ik allemaal kreken op het strand tegen. Het wordt al
donker en ik merk dat ik al even onrustig wordt: kom ik nog weg op
mijn plek? Even later ben ik er. Ik steek de kachel aan, een kacheltje dat niet te regelen is. Het wordt snel warm maar
koelt ook snel weer af en ik eet wat. Buiten is het inmiddels koud en
pikdonker. Geen maan, laag hangende bewolking, geen hand voor ogen
te zien. Geen nachtwandeling dan maar.
Ik schrijf de eerste
bladzijden in mijn wildernisdagboek. Voor ik ga slapen stap ik nog
even naar buiten en wordt verrast door een heldere hemel vol
sterren. Boven mijn tent staat een prachtige Orion aan de zuidelijke
hemel, achter me wijst de Grote Beer naar de poolster. Nu zie ik in
de verte ook het licht van de vuurtoren van Schiermonnikoog, het
enige teken van menselijk leven en kruip daarna in mijn nieuwe
donzen slaapzak. Ik voel me niet alleen, maar juist erg dankbaar
naar al de mensen die me hebben gesteund en geholpen. Zo voel ik me
in die donkere nacht warm en verbonden met mijn vrienden en
geliefden. Halverwege de nacht wordt ik regelmatig wakker van de
kou. Kan me niet zo veel schelen, maar het valt me wel tegen dat
mijn slaapzaak, die tot min-tien comfortabel zou moeten zijn, zo
weinig bescherming biedt.
28 januari:
wake-up-call
In het halfdonker stap ik uit mijn koude slaapzak de nog koudere
tent in. Vlug een fleece-vest aan over mijn trui en mijn broek over
mijn dunne termonderbroek. Als ik uit mijn koude ger stap, sta ik in
een straffe wind. Droog en koud, een echte wake-up-call. Het
landschap is sprankelend licht, alles is berijpt en het is helemaal
stil. Mijn hart slaat gelijk wat sneller van enthousiasme. Om een
beetje warm te worden ren ik het duin op dat aan het strand grenst.

Uit de bevroren duindoorns in de binnenduinrand vliegen honderden
kramsvogels op. Het is zo koud dat ze het niet kunnen opbrengen om
hun gebruikelijke enthousiaste tjak-tjak-geluid te laten horen. Op
het duin aan de andere kant van de tent roept een fazant. Ik ren
terug naar naar de beschutting van mijn tent want het vest houdt de
wind niet tegen. Water opzetten, yoghurtje eten, boterhammen smeren.
Dan eerst maar een kwartiertje mediteren. Ik probeer de dingen met
rust en aandacht te doen maar er zit nog veel gewoonte-haast in de
handelingen.
Op pad
Dan op pad. Langs het duin naar het oosten. Van de top van het
eerste duin vliegt een buizerd op, zwijgzaam zoals roofvogels zijn
in deze tijd. Als ik bij de volgende doorbraak kom, jaagt er een
blauwe kiekendief. Een mooi voorbeeld van de enorme variatie in de
manier waarop vogels vliegen, iedere vogel vliegt zoals hij
gevleugeld is. De kiekendief vliegt veel lichter, eleganter dan de
buizerd. Het is net over hij met één vleugelslag veel meer hoogte
kan maken, alsof hij een soort vleugelbekrachtiging heeft; iedere
vleugelslag doet hem opveren.
Ik steek de kreek over en wil die
daarna volgen tot ik bij de Waddenzee uitkom. Ik loop door een
‘kreekdal’, een vallei tussen de duinen. De flanken van de duinen
zijn bijna wit van de rijp. In het midden loopt water door een diep
uitgesleten slenk, daarnaast een kwelder met obione, lamsoor, wat
zeekraal en hier en daar een bosje pitrus. Bijna iedere bosje zijn
de buitenste sprieten afgeknaagd door de hazen, als je er van
bovenaf naar kijkt is ieder bosje omgeven door een kring van witte
rondjes, de binnenkant van de sprieten die de hazen hebben
afgebeten. De laagste vegetatie is donker, vochtig, wat er een
bovenuit steekt is berijpt zodat je in de vallei een harder
contrast krijgt tussen lichte en donkere vegetatie, tussen de
donkere kwelder en de berijpte flanken van duinen.
De kreek volgend
laat ik de duinen langzaam achter me en kom op de eindeloze vlakte
van de kwelder. De kreek wordt steeds breder en dieper en uit de
kwelder komen er steeds kreken bij die je uit de verte nauwelijks
ziet. Af en toe vliegt er een tureluur op, zijn vrolijke geluid De
vegetatie is enkele decimeters hoog en verbergt de kreken die hier
stijl en diep kunnen zijn. Je moet er dan omheen lopen en komt dan
weer andere kreekjes tegen zodat je na verloop van tijd niet meer
weet waar je bent. Omdat het heiig is geworden kan ik ook niet goed
zien waar de zon staat en ben raak gedesoriënteerd. De Waddenzee
bereiken gaat zo niet lukken. Als ik besluit een weg terug te gaan
zoeken vliegt er in de verte een valk op: laagvliegend, stevige
vleugelslag, een vliegende driehoek die op het enige paaltje dat ik
om me heen kan ontdekken gaat zitten : een slechtvalk! Vriend Perigrinus, in mijn jeugd bijna uitgestorven door landbouwgif, fijn
dat het weer wat beter met je gaat.
Weer terug naar het strand om daar verder naar het oosten te lopen
om ter hoogte van het Willemsduin nog een poging te doen door te
steken naar de Waddenzee. Het Willemsduin is een vrij liggend, hoog
duin midden tussen de zeereep en de Waddenzee. Naar het Oosten toe
zijn er verder alleen nog lage duintjes.

Ik klim het steile
Willemsduin op en heb een weids uitzicht naar alle kanten. Blijf een
kwartiertje zitten:, zie hier en daar hazen rennen. Waar het eiland
vroeger werd bevolkt door duizenden konijnen die de vegetatie kort
hielden zie ik nu alleen maar wat hazen en veel dood gras. Vogels
zijn er weinig, alleen in de verte aan de rand van de Waddenzee
zitten groepen vogels.
De kou maant me aan weer verder te gaan. De
kwelder is hier jonger, lager en de kreken zijn minder diep dus kan
ik de Waddenzee wel bereiken. Ik loop langs de Waddenzee naar het
oosten. Zelfs de diepere kreken kan ik hier passeren omdat ze als ze
uit de kwelder komen breed uitvloeien en hun diepte verliezen. Op de
rand van de kwelder rusten groepjes scholeksters. Scholeksters zijn
de laatste jaren intensief bestudeerd en zoals alles waar je meer
van weet wordt ook de scholeksters daardoor veel interessanter.
Zoals MacFarlane het zo mooi zegt: feiten voeden de verwondering. Ik
had niet gedacht dat ze wel tien tot twintig jaar als jonge vogels
bij elkaar blijven en geleidelijk een soort hiërarchie ontwikkelen
op basis waarvan ze dan later de beste nestplaatsen kunnen bezetten:
hoe hoger in de hiërarchie, hoe dichter bij de rand van de kwelder
je mag broeden.
Uiteindelijk loop ik toch vast op een kreek die te diep is en ik ga
weer naar het Noordzeestrand. Ik ga richting Ger. Ik begin moe te
worden en heb mijn aandacht minder bij mijn omgeving. Ik betrap me
erop dat ik met mijn gedachten bij werk, vrienden en kinderen ben.
Zinloze gedachten over wat er allemaal nog moet gebeuren. Steeds als
ik mezelf betrap doe ik een loopmeditatie: mijn aandacht bij de
stappen die ik zet en bij mijn ademhaling: drie stappen inademen en
drie stappen uitademen. Ook die meditatie verliest mijn aandacht na
een poosje, soms ben ik dan teruggekeerd in het hier en nu, soms zit
ik weer in de gedachten.
29 januari: kou
Ondanks extra kleren en een extra rubberen isolatiematje was ik toch
regelmatig wakker van de kou deze nacht. Meer en meer licht kruipt
mijn tent binnen, het gaat zo langzaam dat je het niet ziet
veranderen maar op een bepaalt moment zit er wat kleur in. Ik sta
op, doe mijn schoenen aan. Omdat ik kou verwacht doe ik nu ook mijn
jas alvast maar aan voor ik de deur open. Een warm oranje gloed ligt
over de vallei voor me. De zon zit nog achter de duinen.
Ik loop een
duin op om de zon op te zien komen. Een rode bal straalt warm licht
uit het oosten. Uit het oosten blaast tegelijkertijd een ijskoude
wind in mijn gezicht. De tranen lopen al snel over mijn wangen. Als
de zon iets hoger komt wordt het rode licht geel. Ik klim nog op het
duin aan de zeezijde, daar vliegt de buizerd weer op.

Ga
lekker koffie zetten, eet wat en neem de tijd om dik ingepakt in
mijn stoel een half uurtje te mediteren. Hoewel ik me rustig voelde
komt er tijdens de meditatie heel veel onrust naar boven. Boeddha
zei al: de geest is een aap die slingert van tak naar tak. Zo is
het, geen moment rust en wie is er eigenlijk de baas? Als het
mediteren een beetje ‘lukt’ kan ik soms even toeschouwer zijn van de
aap. Die afstand is bevrijdend. Vreemd dat ik daarnaast ook nog eens
zo’n permanente honger naar informatieprikkels heb. Kranten, mail,
televisie, allemaal lekker, maar lekker op de manier van junkfood,
je weet dat het niet goed voor je is.
Verkenning
Vandaag wil het stuk tussen mijn doorbraak en het begin van de
polder verkennen. Ik steek de doorbraak over en klim het duin op.
Mooi zicht op mijn ger. De kans is klein dat ik nog vaak op zo’n
mooie plek zal komen. Als ik afgelopen dagen iets heel moois zag
kwam vaak onmiddellijke ook de behoefte om dat te delen. ‘ Oh, kon
.... dat nu maar even zien’.
In het verleden vergalde dat soms bijna
het plezier van de ervaring. Wat is dit waard als ik het niet kan
delen? Delen is belangrijk en op zich ook weer een mooie ervaring
maar nu merk dat als de behoefte om te delen een beetje minder
wordt, dat onverwacht prettig is. Als je kunt genieten van de
schoonheidservaring zonder onmiddellijk aan iemand anders te denken
geeft dat een gevoel van rust, alsof je innerlijk zwaartepunt lager
komt te liggen.
Ik
loop naar het westen onderlangs de stuifdijk. Er is een pad dat de
illusie van wildernis voorkomt, maar het is wel mooi met links een
moeras dat blikkert in de zon en rechts een dubbele duinenrij die is
begroeid met vlierstruiken en duindoorns. Op de duindoorns zitten
duizenden kramsvogels. Vergis ik me of zitten ze altijd het liefst
in de toppen van struiken naar de zon te kijken? Verder af en toe
een groenling, wat donkerrode vinken en groepjes pimpelmezen. Met
het licht mee allemaal mooi te zien. Links, in het moeras, tegen het
licht in een enkele rietgors en af en toe een watersnip. Boven het
moeras zweven kiekendieven. Uit de stuifdijk stijgt een
ruigpootbuizerd op. Even later staat hij te bidden. Als ze zitten
lijken buizerd en ruigpootbuizerd niet erg verschillend. De ruigpoot
heeft wat bevederde poten en de bovenkant van de staart is licht.
Als ze vliegen moet je ook altijd goed kijken maar als hij bidt
maakt die ruigpoot toch een heel andere indruk. Als een torenvalk
bidt staan puntige vleugels met een scherp profiel heel snel te
klapperen, als een kiekendief bidt staan lappen van vleugels
langzaam te flappen. Als een ruigpoot bidt doet hij dat vooral tegen
de wind in en staat een heel robuuste vogel met veel veren te
zwoegen in de lucht.
Via het reddingspad loop ik richting Waddenzee. Boven de polders zie
ik maar liefst twee slechtvalken achter elkaar aan vliegen. De
brandganzen uit de polder worden onrustig, sommigen vliegen op. Bij
de Waddenkust staat het water hoog, een dikke laag van stukjes ijs
ter grootte van een hazelnoot drijft tegen de kwelder aan. Op de
oever zoeken steenlopers tussen het hoge gras naar voedsel. Had ik
nog nooit gezien: steenlopers ken ik van beschoeiingen en het wad.
Ik loop weer terug vanaf de Kobbeduinen dwars door de kwelder naar
de doorbraak waar mijn ger staat. Prachtig pad, kris kras door de
kwelder, plasjes, rietveldjes, duintjes met duindoorn, twee
ruigpootbuizerds in de verte bij de stuifdijk en dan de weidsheid
van de doorbraak waar in de verte met tent staat. Een torenvalk
staat erboven te bidden.
In
mijn tent zet ik een thermos thee en ga naast de tent, in de zon,
uit de wind zitten. Na een halfuurtjes schrijven in mijn dagboek. De
laatste dagen in de aanloop naar deze week had ik nog twee
suggesties gekregen van thema’s om over na te denken.
De eerste was
van vriendin Karen Jonkers. Ze is heel betrokken bij deze week een
suggereert me na te denken over de vraag wat het hoogste doel is dat
ik met dit project zou kunnen dienen. De vraag is niet zo moeilijk,
het antwoord wel. De vraag is wat de betekenis is van wildernis voor
de samenleving. Met dit project wil ik een bijdrage leveren aan een
betere samenleving omdat ik geloof dat wildernissen van essentiële
betekenis zijn voor de samenleving en voor individuen.
De tweede
suggestie kwam van Thomas van Slobbe om deze weken te gebruiken om
de kunst van brievenschrijven weer in ere te herstellen. Het thema
schoonheid zou een mooi begin kunnen zijn. Wat is het verschil
tussen schoonheid in de wereld van de artefacten en de natuur? Hoe
kun je de natuur als volledig onverschillig systeem, als systeem
waar alles gegeten wordt, als schoonheid ervaren? Ik probeer eerste
gedachten op papier te krijgen. Is de ervaring van de schoonheid van
de natuur universeel? Zouden we nog wel willen leven zonder de
capaciteit om de natuur mooi te vinden? Omdat we er geen oordeel
over hoeven te hebben en de natuur geen oordeel over ons heeft, valt
de natuur onder een andere categorie dan mensen en door mensen
gemaakte dingen.
Vanavond wat soep gemaakt en lekkere spelt-zuurdesemboterhammen
gegeten.
Het is een heldere nacht. De maan komt begin van de avond op en
wordt vergezeld van een prachtige Venus, ze staan heel dicht bij
elkaar.
30 januari
Geen last meer gehad van de kou terwijl het vannacht toch wel stevig
heeft gevroren. De tent is aan de buitenkant stijf bevroren en er
ligt veel rijp op de planten. Als ik een ommetje maak merk ik dat de
kramsvogels zich stil houden en niet in de toppen van de struiken
zijn te zien. Mijn buizerd is er wel.
Vandaag wil ik naar de
oostpunt lopen. Ik smeer wat brood op en vul een thermos met koffie.
Het fruit dat ik gisteren mee had genomen maar niet opgegeten is
licht bevroren. Vandaag opnieuw mee. Ik start vroeg en loop
aanvankelijk goed door, lekker tegen de oostenwind in. Het is heiig
dus ik zie maar een paar honderd meter.
Het baken op het Willemsduin
zie ik niet liggen vanaf het strand. Na een half uur kom ik een
groepje strandleeuweriken tegen, bijzonder mooie beestjes. Na een
uur lopen houden de grote duinen op en kom ik in een ze van duintjes
terecht. Heel mooi berijpt. Hier en daar tussen de duintjes lopen
kreken, soms is het zand rond een duintje uitgestoven en staat en
een plas. In die zee van duintjes vliegen twee bruine vogels op.
Velduilen! Die heb ik bijna dertig jaar niet meer gezien. Ooit zag
ik ze tijdens een zomerkamp bidden in de duinen van Ameland,
blijkbaar een onvergetelijke indruk. Nu bidden ze niet. Eerst
vliegen ze laag naar een volgend duintje. Daarna vliegt er een in
een halve cirkel om me heen. Met dat grote gezicht en die grote
donkere ogen strak op mij gericht met een volkomen lege blik. Ze
kijken je met dat grote gezicht en de donkere ogen strak maar
uitdrukkingsloos aan. Uiteindelijk vliegen ze traag naar de kwelder.
Verder lopend kom ik na een half uur een dode zeehond tegen, de
schedel is al helemaal kaal, het lijf nog intact. Even later kom ik
er weer een tegen, nog niet zo lang dood. Ze liggen wel een heel
eind van zee. Bij een storm achtergebleven?
Wijdsheid
Na
weer een half uur houden de duinen op en kijk ik uit op een volkomen
vlakke zandvlakte. Ik loop nog een half uur verder. Het enige
oriëntatiepunt is heel ver weg links de zee. Na een poosje sta ik
midden op een zandplaat; de hemelkoepel eindigt aan alle kanten op
een zandvlakte. De ruimte om me heen geeft me op een of andere
manier ook de ervaring van ruimte in mijn innerlijk. Mijn ziel
stroomt uit in de wijdsheid.
Als ik uiteindelijk op de oostpunt ben aangeland trekt de mist wat
op. Aan de overkant zie ik ene zandbank met zeehonden. Een groepje
eidereenden met dat mysterieuze groenen roze op hun kop, drijft in
zee. Net achter de vloedlijn ligt een zee aan mesheften, vroeger
zeldzaam, nu een van de meest algemene schelpen. Moet ik nog eens
uitzoeken.
31 januari
Vandaag komt Wouter Helmer (1960) aan met de middagboot. Hij is een
dierecoloog en combineert ondernemerschap, kennis van ecologie en
wildernis en maatschappelijke betrokkenheid. Een bijzonder mens. En
dan ook nog aardig en intelligent.
De
eerste helft van de dag verken ik de Waddenkust onder de Kobbeduinen.
Er zijn prachtige ijskristallen en wat vogeltjes. In de hemel is er
ook iets bijzonders: van het uiterste zuiden tot het uiterste
noorden loopt één lange, cilindervormige wolk. Parallel daaraan in
de verte nog een maar die is minder lang. De wolk lijkt zijdelings
te bewegen. Wat zou ik dat toch graag beter begrijpen, hoe die
wolken zich ontwikkelen. In Engeland heb je The Cloud Society, een
vereniging van mensen die ervaring uitwisselen. In Nederland heb ik
wel eens een oproep gedaan in het blad Landwerk om een forum voor de
ervaring van Hollandse Luchten op te richten. Geen enkele reactie.
Ik
vang Wouter op op de overgang van de wildernis en polder. Hij heeft
onderweg al een slechtvalk gezien en vertelt enthousiast over een
smelleken in de haven van Lauwersoog. Ik hoop dat het ervaren oog
van Wouter er in de wildernis ook nog een zal zien want het is voor
mij lang geleden dat ik een smelleken zag. We lopen door de kwelder
naar de tent. Wouter is net zo enthousiast over het landschap, de
vogels en de tent als ik. De ruigpootbuizerd en de blauwe kiekendief
laten zich zien. Bij de tent aangekomen zetten we zijn rugzak weg en
besluiten het laatste licht te benutten om nog een rondje te lopen.
Ik laat hem na een uurtje nog even alleen en ga thee zetten.
Na
onze gezamenlijk pasta maaltijd, puttanesca, vraag ik hem naar zijn
geschiedenis en ideeën. Bij een kaarsje en een glas wijn is het niet
moeilijk de kachel en het gesprek aan de gang te houden. Wat gun je
de wereld? Een rijkdom aan soorten dat mensen kunnen samenleven met
alle planten en dieren om ons heen. Hoe meer mensen om de tafel hoe
beter, hoe meer planten en dieren in onze omgeving, hoe beter. Waar
we het ook al snel over eens zijn is het feit dat wij niet veel
belang hechten aan het bepalen van referenties uit het verleden.
Wellicht gaan we daar in het kader van dit project nog een keer een
verhaal over schrijven: waarom de toekomst interessanter is dan het
verleden.
Wouter is opgegroeid met de natuur van de omgeving van Groesbeek,
waar hij nu nog woont. Hij was veel in de natuur, ging ook met
jagers mee en was ook als kind al ondernemer met de natuur: hij
verkocht watersalamanders. Ongelukjes met bevroren salamanders, per
ongeluk geschoten vogels en het lidmaatschap van de jeugdbond vor
natuurstudie hebben hem geleidelijk meer op het pad van de studie
gebracht. Als kind wilde hij ontdekkingsreiziger of boswachter
worden. Hij woont nu in het huis van de toenmalige boswachter en
ontdekt de wereld in zijn wildernissen. Tot voor kort kenden we
elkaar niet persoonlijk maar we hebben wel heel veel gezamenlijke
vrienden. Ton Lemaire is er een van: die kon de vernietiging van
natuur en landschap niet meer aanzien en is vertrokken. Wouter heeft
een heel andere strategie gevolgd door van het begin af aan ideeën
rond natuurontwikkeling op te pakken. Hij had als snel door dat
milieugroepen al snel vooral met zichzelf bezig zijn. In zijn
studietijd raakte hij verder sterk geïnspireerd door Europese
wildernissen en begraasde landschappen zoals in Thracië. De rijkdom
die hij daar had gezien was inspiratie om in Nederland snel de
eerste ideeën rond natuurontwikkeling in het rivierengebied op te
pakken. Daar kwam bij dat hij tijdens een boeddhistische
meditatiecursus van Matthijs Schouten had ervaren dat verandering
het wezen der dingen is. Hij richtte met enkele mensen Bureau
Stroming op om concrete ondersteuning en uitvoering te geven aan
natuurontwikkelingsprojecten. De filosofie daarbij was dat de
toegankelijkheid voor mensen, volledige openstelling, essentieel is.
Later kwam er geld van de postcodeloterij beschikbaar, toen werd
Stichting Ark opgericht. Welke projecten ben je nu echt trots op? De
Gelderse Poort is toch wel top, inhoudelijk een doorbraak, enorme
bezoekersaantallen en inmiddels draagvlak in de streek, ook bij de
boeren.
Er
ligt nog een wereld te winnen voor Stichting Ark. In Europa
voltrekken zich ecologische drama’s: door het verdwijnen van
weidegronden verdwijnen ook de rijkste ecosystemen van Europa
terwijl die ook nieuwe semi-wilde kuddes zouden kunnen herbergen.
Ook binnen Nederland valt nog veel te winnen met klimaatbuffers, het
beter inrichten van bestaande gebieden en de introductie van
roofdieren en grazers.
De
wildernis heeft voor Wouter ook in Nederland wel toekomst. In
functionele termen kan de wildernis bijdragen aan klimaatbuffers en
als contramal voor de stedeling die zich wil kunnen ontspannen. Ook
in emotionele termen is de wildernis belangrijk om vrijheid en
contrast te ervaren. Het is niet voor niets dat excursies in de
Oostvaardersplassen en in de bronsttijd zwaar overtekend zijn. De
Millingerwaard met zijn theetuin is misschien wel het mooiste
voorbeeld van de natuurgebieden die Wouter voor ogen staan: een
dynamisch natuurgebied waar de natuur zijn gang kan gaan, waar veel
mensen komen uit de nabijgelegen steden, niet alleen voor de natuur
maar ook voor de cultuur.
1 februari
Wouter en ik vertrekken op tijd want hij wil graag naar de oostpunt
maar moet eind van de dag ook de boot weer hebben. Wouter heeft een
fantastische veldkennis, kent alle geluidjes van vogels, maar heeft
ook een geoefend oog voor het gedrag van dieren. Als hij een
kiekendief ziet aan het eind van de middag dan kijkt hij als het
ware met die vogel mee in zijn speurtocht naar een slaapplaats, als
hij een vogel voedsel ziet zoeken ziet hij dat die dat tegen de zon
in doet om geen schaduw vooruit te werpen. Ik leer het verschil
tussen een oeverpieper en een graspieper die ik nooit uit elkaar kon
houden. Na een poosje komen we de troep strandleeuweriken tegen. Hij
hoort een raar piepje en ontdekt zo dat er een ijsgors tussen zit.
We staan ons nog vrolijk te maken over die ijsgors terwijl er alweer
een groep sneeuwvinken voorbij komt. Deze waarnemingen passen
helemaal bij deze dag: er staat een stevige oostenwind die door mijn
handschoenen heen weet te blazen hoewel het niet zo koud is als
afgelopen dagen.
Terwijl we verder lopen tussen het groene strand links en de duinen
rechts zien we dat achter het groene strand zich een nieuwe
duinenrij ontwikkelt, zo wordt er bijna ene nieuw eiland aangeplakt.
Nog verder naar het oosten verdwijnt het groene strand en lopen we
door een zee van duintjes. Daar gebeurt het: vier velduilen! Ze
blijven laag en zoeken snel dekking. Zo mooi maar ook zo weemoedig
om te beseffen dat dit mogelijke de enige vier velduilen in
Nederland zijn. Ook een slechtvalk vliegt op een halve meter hoogte
weg over het strand.
Na
de duintjes komen we op die enorme zandplaat waar sneeuw overheen
stuift. We staan te springen van vrolijkheid en enthousiasme over
deze schoonheid, of is het begrip subliem hier meer op zijn plaats.
We lopen nog meer dan een uur tegen de wind in naar de punt van het
eiland. Halverwege trekt de hemel plotseling open. De contrasten
exploderen: donkerblauwe lucht boven blinkend witte plaat.
Langs de Noordzeekust zit bijna geen vogel, wel prachtige
ijskristallen op het strand. We zien dat de wolkjes die er nog zijn
het midden van het eiland lijken te mijden, ze waaien ten noorden en
ten zuiden van het eiland voorbij. Het is veel helderder dan van de
week en we zien een enorme zandbank die zich van noord naar zuid
uitstrekt, een stuk in de Noordzee begint en ver in de Waddenzee
doorloopt. Achter de bank moet nog een zeegat zijn want we zien
golven opspatten achter de bank. Ik de verte staan ook een paar
huizen, dat zal het Duitse Bornholm wel zijn.
Langs de Waddenkust is het strand ook zandig en bedekt met een laag
ijsgruis van decimeters. Hier zien we de eerste anderhalve kilometer
veel vogels. Naast de meeuwen, scholeksters, bonte strandlopers en
drietenen ook de kanoeten van gisteren. Nieuw zijn de
zilverplevieren, honderden. Waar ze qua grootte en vorm wel wat op
elkaar lijken, gedragen ze zich heel anders. Kanoeten altijd in
groepen, zilverplevieren juist relatief solitair. De vogels zijn ook
hier erg stil. De meeuwen zitten met ingetrokken poten op de sneeuw.
Na
een fikse wandeling komen we bij de kwelder. Die ligt hier hoog en
is zandig, geen zachte en geleidelijke overgaan naar het wad. We
steken te hoogte van het Willemsduin weer door naar het strand en
komen daar twee van onze velduilen weer tegen. En er scheurt een
smelleken rond. Dat is een klein valkje, grootte van torenvalk, die
altijd heel actief jaagt, een beetje als een zwaluw of een boomvalk.
Op het strand krijgen we nog een afscheidscadeau: een jong vrouwtje
slechtvalk komt laag over het strand langs gevlogen. Bruin met
verticale strepen op de borst. Een paar seconden later duikt een
mannetje langs haar heen. Ze spelen en vliegen verder. Met veel
vogels voelde ik wel iets van mededogen deze dagen, koud, weinig
tijd om aan het spaarzame voedsel te komen, altijd alert op een
jager. Bij zo’n slechtvalk is dat anders. Altijd wel wat te eten en
twee keer per dag even een vogel uit de lucht pikken is geen
probleem. Een bejaardenhuis voor slechtvalken is er natuurlijk niet,
dus het kan ook snel afgelopen zijn.
Bij de ger maak ik nog wat te eten voor Wouter, ik laat hem de
laatste kilometers wildernis op weg naar de boot alleen genieten. Ik
neem hartelijk afscheid van deze bijzondere man.
Ondertussen is het nog harder gaan waaien. De flap waarmee de top
van de ger is af te dekken kan ik niet goed strak trekken. Ik wil de
top nu ook niet afdekken want dan kan de kachelpijp niet door het
dak. Als ik de kachel aansteek zie ik door de openingen in het dak
vonken wegstuiven. Ga regelmatig even naar buiten. De vonken vliegen
horizontaal weg en het dak is bovendien dik onder de rijp, veel kans
op brand is er niet. Ik kijk wat ik nog aan vers eten heb: daarmee
maak ik een prutje van ui-tomaat-ei voor op de laatste boterhammen.
2 februari
Na een ochtendwandeling zet ik de telefoon aan en nodig de mannen
van Natuurmonumenten uit om nog een kop koffie te komen drinken. Als
ik in gesprek raak over de natuur blijkt een enorme betrokkenheid en
kennis van zaken. Wat hen betreft kan het wilderniskarakter van het
eiland hier en daar nog wel wat dynamischer worden. Veel dank voor
de ontvangst en betrokkenheid!
Daarna pak ik mijn rugzak en neem afscheid van een van de mooiste
plekken waar ik ooit ben geweest. Langzaam proevend van elke stap
loop ik weer naar de bewoonde wereld. Intens genietend van de
schoonheid heb ik bijna anderhalf uur nodig om bij de polder te
komen en dan nog een half uurtje om bij de boot te komen. Op de
boot, in de bus en de trein naar Bilthoven is het gelukkig erg
rustig. Als ik ‘s avonds de foto’s aan mijn Yvonne laat zien en ik
zie de foto van vanochtend heb ik het gevoel dat ik het eiland al
een paar dagen eerder heb verlaten. Het omgekeerde van het normale
vakantiegevoel: je bent net twee dagen op pad en hebt het gevoel al
een week weg te zijn.

terug naar overzicht van verhalen |
|