Maak uw keuze

   home

   
  accommodaties
   
    geschiedenis
   
    dorp/bereikbaarheid
   
   bezienswaardigheden   
    vredenhof - bunker wassermann
    vuurtoren -  bezoekerscentrum -
    jachthaven - schelpenmuseum -
    walviskaken - de eendenkooi
   
    nationaal park
   
    bezoekerscentrum
 
   excursies
   
    landschappen/natuur
     wad - polder - westerplas -
     bos - kwelder - duinen -
     strand
   
    activiteiten
   
  verhalen
   
   taal
   
  •  kunstenaars
    en 't eiland
   
    
   
    links / © 2011
   
    mail webbeheerder
   
    inhoudsopgave site
 


terug naar overzicht
van verhalen






 
 








 




    
  


























































































































































































































 
Belevenissen: 4 dagen 'eenzaam' in de kou
Tekst en foto's: Bram van der Klundert

27 januari: de tent staat; het ervaren kan beginnen
De mannen die de tent hebben opgezet - en de beheerders van Natuurmonumenten die water en hout hebben gebracht - vertrekken. Ik probeer mijn enthousiasme en dankbaarheid over te brengen.



En dan ben ik - na alle voorbereidingen - eindelijk alleen in 'mijn wildernis'. De komende vier dagen verwacht ik niemand te hoeven spreken. Mijn telefoon en i-pod zijn uit, alleen in geval van acute en onoverkomelijke behoefte aan contact of muziek zal ik ze aanzetten. Ik heb een vogelboek bij me en verder maar één boek (een biografie van Boeddha) om af en toe in te lezen als de eenzaamheid me te veel zou worden want ik wil niet veel gaan lezen. Ik wil immers in de wildernis zitten en niet in een boek.



Van 'druk, druk' naar absolute rust
De overgang doe ik cold-turkey; in een keer van bergen mail, post, afspraken en telefoontjes naar de absolute rust. Het is bewolkt en over een uur zal het donker zijn. Ik wil graag nog even wandelen. Ik zet de kachel vast klaar en zoek mijn lamp op zodat ik als ik in het donker terugkom licht heb en de tent snel kan opwarmen, het is nu al rond het vriespunt.

Vrij en nieuwsgierig
Ik voel me vrij, nieuwsgierig en ben helemaal opgewonden over deze prachtige plek. Ik ren het duin op en haal diep adem. Heerlijk: weidsheid in mijn lijf en om me heen.



Ik loop langs het strand naar het oosten, daar is al snel weer een duindoorbraak. Voor de duinenrij is een heel breed strand afgezet de afgelopen jaren. Er is zo een half eiland aan de noordkant van het eiland bijgekomen. Het strand is hoog, er loopt een stroompje uit naar het zuiden, de kwelder in. Zo te zien loopt het door tot aan de Waddenzee. Aan de planten te zien moet er op het strand een zoetwaterbel zijn ontstaan. Ik proef een beetje uit het stroompje, en het is inderdaad zoet water.

In de duintjes langs de slenk zitten hazen. Prachtige dieren, die vaak in paartjes lijken te leven. Soms komt zo’n paartje een duin omgerend, om elkaar heen dartelend als een verliefd stel, een en al oog voor elkaar. Als ze me zien staan ze plotseling stil met gestrekte voorpoten en stuiven vervolgens weg. Hun oren zijn prachtig zwart-wit getekend in deze tijd zodat het even lijkt of er een antilope met zijn zwart-witte kont weg rent. Soms trekken ze even een sprintje met hun oren plat op hun rug, alsof ze er plezier in hebben om even flink gas te geven.

Ik loop nog even naar zee, dat is een heel eind. Het wordt donker, van de kleuren blijven alleen zandige en grijze kleuren over. De hemelkoepel is egaal grijs, op lichtere plekken lijkt de koepel van bovenaf nog licht door te laten van de zon die al onder is. 

Donker
Als ik ter hoogte van de doorbraak - waar mijn tent staat - terugloop kom ik allemaal kreken op het strand tegen. Het wordt al donker en ik merk dat ik al even onrustig wordt: kom ik nog weg op mijn plek? Even later ben ik er. Ik steek de kachel aan, een kacheltje dat niet te regelen is. Het wordt snel warm maar koelt ook snel weer af en ik eet wat. Buiten is het inmiddels koud en pikdonker. Geen maan, laag hangende bewolking, geen hand voor ogen te zien. Geen nachtwandeling dan maar.

Ik schrijf de eerste bladzijden in mijn wildernisdagboek. Voor ik ga slapen stap ik nog even naar buiten en wordt verrast door een heldere hemel vol sterren. Boven mijn tent staat een prachtige Orion aan de zuidelijke hemel, achter me wijst de Grote Beer naar de poolster. Nu zie ik in de verte ook het licht van de vuurtoren van Schiermonnikoog, het enige teken van menselijk leven en kruip daarna in mijn nieuwe donzen slaapzak. Ik voel me niet alleen, maar juist erg dankbaar naar al de mensen die me hebben gesteund en geholpen. Zo voel ik me in die donkere nacht warm en verbonden met mijn vrienden en geliefden. Halverwege de nacht wordt ik regelmatig wakker van de kou. Kan me niet zo veel schelen, maar het valt me wel tegen dat mijn slaapzaak, die tot min-tien comfortabel zou moeten zijn, zo weinig bescherming biedt.

28 januari: wake-up-call
In het halfdonker stap ik uit mijn koude slaapzak de nog koudere tent in. Vlug een fleece-vest aan over mijn trui en mijn broek over mijn dunne termonderbroek. Als ik uit mijn koude ger stap, sta ik in een straffe wind. Droog en koud, een echte wake-up-call. Het landschap is sprankelend licht, alles is berijpt en het is helemaal stil. Mijn hart slaat gelijk wat sneller van enthousiasme. Om een beetje warm te worden ren ik het duin op dat aan het strand grenst.



Uit de bevroren duindoorns in de binnenduinrand vliegen honderden kramsvogels op. Het is zo koud dat ze het niet kunnen opbrengen om hun gebruikelijke enthousiaste tjak-tjak-geluid te laten horen. Op het duin aan de andere kant van de tent roept een fazant. Ik ren terug naar naar de beschutting van mijn tent want het vest houdt de wind niet tegen. Water opzetten, yoghurtje eten, boterhammen smeren. Dan eerst maar een kwartiertje mediteren. Ik probeer de dingen met rust en aandacht te doen maar er zit nog veel gewoonte-haast in de handelingen.

Op pad
Dan op pad. Langs het duin naar het oosten. Van de top van het eerste duin vliegt een buizerd op, zwijgzaam zoals roofvogels zijn in deze tijd. Als ik bij de volgende doorbraak kom, jaagt er een blauwe kiekendief. Een mooi voorbeeld van de enorme variatie in de manier waarop vogels vliegen, iedere vogel vliegt zoals hij gevleugeld is. De kiekendief vliegt veel lichter, eleganter dan de buizerd. Het is net over hij met één vleugelslag veel meer hoogte kan maken, alsof hij een soort vleugelbekrachtiging heeft; iedere vleugelslag doet hem opveren.

Ik steek de kreek over en wil die daarna volgen tot ik bij de Waddenzee uitkom. Ik loop door een ‘kreekdal’, een vallei tussen de duinen. De flanken van de duinen zijn bijna wit van de rijp. In het midden loopt water door een diep uitgesleten slenk, daarnaast een kwelder met obione, lamsoor, wat zeekraal en hier en daar een bosje pitrus. Bijna iedere bosje zijn de buitenste sprieten afgeknaagd door de hazen, als je er van bovenaf naar kijkt is ieder bosje omgeven door een kring van witte rondjes, de binnenkant van de sprieten die de hazen hebben afgebeten.  De laagste vegetatie is donker, vochtig, wat er een bovenuit steekt is berijpt zodat  je in de vallei een harder contrast krijgt tussen lichte en donkere vegetatie, tussen de donkere kwelder en de berijpte flanken van duinen.

De kreek volgend laat ik de duinen langzaam achter me en kom op de eindeloze vlakte van de kwelder. De kreek wordt steeds breder en dieper en uit de kwelder komen er steeds kreken bij die je uit de verte nauwelijks ziet. Af en toe vliegt er een tureluur op, zijn vrolijke geluid De vegetatie is enkele decimeters hoog en verbergt de kreken die hier stijl en diep kunnen zijn. Je moet er dan omheen lopen en komt dan weer andere kreekjes tegen zodat je na verloop van tijd niet meer weet waar je bent. Omdat het heiig is geworden kan ik ook niet goed zien waar de zon staat en ben raak gedesoriënteerd. De Waddenzee bereiken gaat zo niet lukken. Als ik besluit een weg terug te gaan zoeken vliegt er in de verte een valk op: laagvliegend, stevige vleugelslag, een vliegende driehoek die op het enige paaltje dat ik om me heen kan ontdekken gaat zitten : een slechtvalk! Vriend Perigrinus, in mijn jeugd bijna uitgestorven door landbouwgif, fijn dat het weer wat beter met je gaat.

Weer terug naar het strand om daar verder naar het oosten te lopen om ter hoogte van het Willemsduin nog een poging te doen door te steken naar de Waddenzee. Het Willemsduin is een vrij liggend, hoog duin midden tussen de zeereep en de Waddenzee. Naar het Oosten toe zijn er verder alleen nog lage duintjes.



Ik klim het steile Willemsduin op en heb een weids uitzicht naar alle kanten. Blijf een kwartiertje zitten:, zie hier en daar hazen rennen. Waar het eiland vroeger werd bevolkt door duizenden konijnen die de vegetatie kort hielden zie ik nu alleen maar wat hazen en veel dood gras. Vogels zijn er weinig, alleen in de verte aan de rand van de Waddenzee zitten groepen vogels.

De kou maant me aan weer verder te gaan. De kwelder is hier jonger, lager en de kreken zijn minder diep dus kan ik de Waddenzee wel bereiken. Ik loop langs de Waddenzee naar het oosten. Zelfs de diepere kreken kan ik hier passeren omdat ze als ze uit de kwelder komen breed uitvloeien en hun diepte verliezen. Op de rand van de kwelder rusten groepjes scholeksters. Scholeksters zijn de laatste jaren intensief bestudeerd en zoals alles waar je meer van weet wordt ook de scholeksters daardoor veel interessanter. Zoals MacFarlane het zo mooi zegt: feiten voeden de verwondering. Ik had niet gedacht dat ze wel tien tot twintig jaar als jonge vogels bij elkaar blijven en geleidelijk een soort hiërarchie ontwikkelen op basis waarvan ze dan later de beste nestplaatsen kunnen bezetten: hoe hoger in de hiërarchie, hoe dichter bij de rand van de kwelder je mag broeden.

Uiteindelijk loop ik toch vast op een kreek die te diep is en ik ga weer naar het Noordzeestrand. Ik ga richting Ger. Ik begin moe te worden en heb mijn aandacht minder bij mijn omgeving. Ik betrap me erop dat ik met mijn gedachten bij werk, vrienden en kinderen ben. Zinloze gedachten over wat er allemaal nog moet gebeuren. Steeds als ik mezelf betrap doe ik een loopmeditatie: mijn aandacht bij de stappen die ik zet en bij mijn ademhaling: drie stappen inademen en drie stappen uitademen. Ook die meditatie verliest mijn aandacht na een poosje, soms ben ik dan teruggekeerd in het hier en nu, soms zit ik weer in de gedachten. 

29 januari: kou
Ondanks extra kleren en een extra rubberen isolatiematje was ik toch regelmatig wakker van de kou deze nacht. Meer en meer licht kruipt mijn tent binnen, het gaat zo langzaam dat je het niet ziet veranderen maar op een bepaalt moment zit er wat kleur in. Ik sta op, doe mijn schoenen aan. Omdat ik kou verwacht doe ik nu ook mijn jas alvast maar aan voor ik de deur open. Een warm oranje gloed ligt over de vallei voor me. De zon zit nog achter de duinen.

Ik loop een duin op om de zon op te zien komen. Een rode bal straalt warm licht uit het oosten. Uit het oosten blaast tegelijkertijd een ijskoude wind in mijn gezicht. De tranen lopen al snel over mijn wangen. Als de zon iets hoger komt wordt het rode licht geel. Ik klim nog op het duin aan de zeezijde, daar vliegt de buizerd weer op.

Ga lekker koffie zetten, eet wat en neem de tijd om dik ingepakt in mijn stoel een half uurtje te mediteren. Hoewel ik me rustig voelde komt er tijdens de meditatie heel veel onrust naar boven. Boeddha zei al: de geest is een aap die slingert van tak naar tak. Zo is het, geen moment rust en wie is er eigenlijk de baas? Als het mediteren een beetje ‘lukt’ kan ik soms even toeschouwer zijn van de aap. Die afstand is bevrijdend. Vreemd dat ik daarnaast ook nog eens zo’n permanente honger naar informatieprikkels heb. Kranten, mail, televisie, allemaal lekker, maar lekker op de manier van junkfood, je weet dat het niet goed voor je is.

Verkenning
Vandaag wil het stuk tussen mijn doorbraak en het begin van de polder verkennen. Ik steek de doorbraak over en klim het duin op. Mooi zicht op mijn ger. De kans is klein dat ik nog vaak op zo’n mooie plek zal komen. Als ik afgelopen dagen iets heel moois zag kwam vaak onmiddellijke ook de behoefte om dat te delen. ‘ Oh, kon .... dat nu maar even zien’.

In het verleden vergalde dat soms bijna het plezier van de ervaring. Wat is dit waard als ik het niet kan delen? Delen is belangrijk en op zich ook weer een mooie ervaring maar nu merk dat als de behoefte om te delen een beetje minder wordt, dat onverwacht prettig is. Als je kunt genieten van de schoonheidservaring zonder onmiddellijk aan iemand anders te denken geeft dat een gevoel van rust, alsof je innerlijk zwaartepunt lager komt te liggen.

Ik loop naar het westen onderlangs de stuifdijk. Er is een pad dat de illusie van wildernis voorkomt, maar het is wel mooi met links een moeras dat blikkert in de zon en rechts een dubbele duinenrij die is begroeid met vlierstruiken en duindoorns. Op de duindoorns zitten duizenden kramsvogels. Vergis ik me of zitten ze altijd het liefst in de toppen van struiken naar de zon te kijken? Verder af en toe een groenling, wat donkerrode vinken en groepjes pimpelmezen. Met het licht mee allemaal mooi te zien. Links, in het moeras, tegen het licht in een enkele rietgors en af en toe een watersnip. Boven het moeras zweven kiekendieven. Uit de stuifdijk stijgt een ruigpootbuizerd op. Even later staat hij te bidden. Als ze zitten lijken buizerd en ruigpootbuizerd niet erg verschillend. De ruigpoot heeft wat bevederde poten en de bovenkant van de staart is licht. Als ze vliegen moet je ook altijd goed kijken maar als hij bidt maakt die ruigpoot toch een heel andere indruk. Als een torenvalk bidt staan puntige vleugels met een scherp profiel heel snel te klapperen, als een kiekendief bidt staan lappen van vleugels langzaam te flappen. Als een ruigpoot bidt doet hij dat vooral tegen de wind in en staat een heel robuuste vogel met veel veren te zwoegen in de lucht.

Via het reddingspad loop ik richting Waddenzee. Boven de polders zie ik maar liefst twee slechtvalken achter elkaar aan vliegen. De brandganzen uit de polder worden onrustig, sommigen vliegen op. Bij de Waddenkust staat het water hoog, een dikke laag van stukjes ijs ter grootte van een hazelnoot drijft tegen de kwelder aan. Op de oever zoeken steenlopers tussen het hoge gras naar voedsel. Had ik nog nooit gezien: steenlopers ken ik van beschoeiingen en het wad. Ik loop weer terug vanaf de Kobbeduinen dwars door de kwelder naar de doorbraak waar mijn ger staat. Prachtig pad, kris kras door de kwelder, plasjes, rietveldjes, duintjes met duindoorn, twee ruigpootbuizerds in de verte bij de stuifdijk en dan de weidsheid van de doorbraak waar in de verte met tent staat. Een torenvalk staat erboven te bidden.

In mijn tent zet ik een thermos thee en ga naast de tent, in de zon, uit de wind zitten. Na een halfuurtjes schrijven in mijn dagboek. De laatste dagen in de aanloop naar deze week had ik nog twee suggesties gekregen van thema’s om over na te denken.

De eerste was van vriendin Karen Jonkers. Ze is heel betrokken bij deze week een suggereert me na te denken over de vraag wat het hoogste doel is dat ik met dit project zou kunnen dienen. De vraag is niet zo moeilijk, het antwoord wel. De vraag is wat de betekenis is van wildernis voor de samenleving. Met dit project wil ik een bijdrage leveren aan een betere samenleving omdat ik geloof dat wildernissen van essentiële betekenis zijn voor de samenleving en voor individuen.

De tweede suggestie kwam van Thomas van Slobbe om deze weken te gebruiken om de kunst van brievenschrijven weer in ere te herstellen. Het thema schoonheid zou een mooi begin kunnen zijn. Wat is het verschil tussen schoonheid in de wereld van de artefacten en de natuur? Hoe kun je de natuur als volledig onverschillig systeem, als systeem waar alles gegeten wordt, als schoonheid ervaren? Ik probeer eerste gedachten op papier te krijgen. Is de ervaring van de schoonheid van de natuur universeel? Zouden we nog wel willen leven zonder de capaciteit om de natuur mooi te vinden? Omdat we er geen oordeel over hoeven te hebben en de natuur geen oordeel over ons heeft, valt de natuur onder een andere categorie dan mensen en door mensen gemaakte dingen.

Vanavond wat soep gemaakt en lekkere spelt-zuurdesemboterhammen gegeten.

Het is een heldere nacht. De maan komt begin van de avond op en wordt vergezeld van een prachtige Venus, ze staan heel dicht bij elkaar.  

30 januari
Geen last meer gehad van de kou terwijl het vannacht toch wel stevig heeft gevroren. De tent is aan de buitenkant stijf bevroren en er ligt veel rijp op de planten. Als ik een ommetje maak merk ik dat de kramsvogels zich stil houden en niet in de toppen van de struiken zijn te zien. Mijn buizerd is er wel.

Vandaag wil ik naar de oostpunt lopen. Ik smeer wat brood op en vul een thermos met koffie. Het fruit dat ik gisteren mee had genomen maar niet opgegeten is licht bevroren. Vandaag opnieuw mee. Ik start vroeg en loop aanvankelijk goed door, lekker tegen de oostenwind in. Het is heiig dus ik zie maar een paar honderd meter.

Het baken op het Willemsduin zie ik niet liggen vanaf het strand. Na een half uur kom ik een groepje strandleeuweriken tegen, bijzonder mooie beestjes. Na een uur lopen houden de grote duinen op en kom ik in een ze van duintjes terecht. Heel mooi berijpt. Hier en daar tussen de duintjes lopen kreken, soms is het zand rond een duintje uitgestoven en staat en een plas. In die zee van duintjes vliegen twee bruine vogels op. Velduilen! Die heb ik bijna dertig jaar niet meer gezien. Ooit zag ik ze tijdens een zomerkamp bidden in de duinen van Ameland, blijkbaar een onvergetelijke indruk. Nu bidden ze niet. Eerst vliegen ze laag naar een volgend duintje. Daarna vliegt er een in een halve cirkel om me heen. Met dat grote gezicht en die grote donkere ogen strak op mij gericht met een volkomen lege blik. Ze kijken je met dat grote gezicht en de donkere ogen strak maar uitdrukkingsloos aan. Uiteindelijk vliegen ze traag naar de kwelder.

Verder lopend kom ik na een half uur een dode zeehond tegen, de schedel is al helemaal kaal, het lijf nog intact. Even later kom ik er weer een tegen, nog niet zo lang dood. Ze liggen wel een heel eind van zee. Bij een storm achtergebleven?

Wijdsheid
Na weer een half uur houden de duinen op en kijk ik uit op een volkomen vlakke zandvlakte. Ik loop nog een half uur verder. Het enige oriëntatiepunt is heel ver weg links de zee. Na een poosje sta ik midden op een zandplaat; de hemelkoepel eindigt aan alle kanten op een zandvlakte. De ruimte om me heen geeft me op een of andere manier ook de ervaring van ruimte in mijn innerlijk. Mijn ziel stroomt uit in de wijdsheid.

Als ik uiteindelijk op de oostpunt ben aangeland trekt de mist wat op. Aan de overkant zie ik ene zandbank met zeehonden. Een groepje eidereenden met dat mysterieuze groenen roze op hun kop, drijft in zee. Net achter de vloedlijn ligt een zee aan mesheften, vroeger zeldzaam, nu een van de meest algemene schelpen. Moet ik nog eens uitzoeken. 

31 januari
Vandaag komt Wouter Helmer (1960) aan met de middagboot. Hij is een dierecoloog en combineert ondernemerschap, kennis van ecologie en wildernis en maatschappelijke betrokkenheid. Een bijzonder mens. En dan ook nog aardig en intelligent.

De eerste helft van de dag verken ik de Waddenkust onder de Kobbeduinen. Er zijn prachtige ijskristallen en wat vogeltjes. In de hemel is er ook iets bijzonders: van het uiterste zuiden tot het uiterste noorden loopt één lange, cilindervormige wolk. Parallel daaraan in de verte nog een maar die is minder lang. De wolk lijkt zijdelings te bewegen. Wat zou ik dat toch graag beter begrijpen, hoe die wolken zich ontwikkelen. In Engeland heb je The Cloud Society, een vereniging van mensen die ervaring uitwisselen. In Nederland heb ik wel eens een oproep gedaan in het blad Landwerk om een forum voor de ervaring van Hollandse Luchten op te richten. Geen enkele reactie.

Ik vang Wouter op op de overgang van de wildernis en polder. Hij heeft onderweg al een slechtvalk gezien en vertelt enthousiast over een smelleken in de haven van Lauwersoog. Ik hoop dat het ervaren oog van Wouter er in de wildernis ook nog een zal zien want het is voor mij lang geleden dat ik een smelleken zag. We lopen door de kwelder naar de tent. Wouter is net zo enthousiast over het landschap, de vogels en de tent als ik. De ruigpootbuizerd en de blauwe kiekendief laten zich zien. Bij de tent aangekomen zetten we zijn rugzak weg en besluiten het laatste licht te benutten om nog een rondje te lopen. Ik laat hem na een uurtje nog even alleen en ga thee zetten.

Na onze gezamenlijk pasta maaltijd, puttanesca, vraag ik hem naar zijn geschiedenis en ideeën. Bij een kaarsje en een glas wijn is het niet moeilijk de kachel en het gesprek aan de gang te houden. Wat gun je de wereld? Een rijkdom aan soorten dat mensen kunnen samenleven met alle planten en dieren om ons heen. Hoe meer mensen om de tafel hoe beter, hoe meer planten en dieren in onze omgeving, hoe beter. Waar we het ook al snel over eens zijn is het feit dat wij niet veel belang hechten aan het bepalen van referenties uit het verleden. Wellicht gaan we daar in het kader van dit project nog een keer een verhaal over schrijven: waarom de toekomst interessanter is dan het verleden.

Wouter is opgegroeid met de natuur van de omgeving van Groesbeek, waar hij nu nog woont. Hij was veel in de natuur, ging ook met jagers mee en was ook als kind al ondernemer met de natuur: hij verkocht watersalamanders. Ongelukjes met bevroren salamanders, per ongeluk geschoten vogels en het lidmaatschap van de jeugdbond vor natuurstudie hebben hem geleidelijk meer op het pad van de studie gebracht. Als kind wilde hij ontdekkingsreiziger of boswachter worden. Hij woont nu in het huis van de toenmalige boswachter en ontdekt de wereld in zijn wildernissen. Tot voor kort kenden we elkaar niet persoonlijk maar we hebben wel heel veel gezamenlijke vrienden. Ton Lemaire is er een van: die kon de vernietiging van natuur en landschap niet meer aanzien en is vertrokken. Wouter heeft een heel andere strategie gevolgd door van het begin af aan ideeën rond natuurontwikkeling op te pakken. Hij had als snel door dat milieugroepen al snel vooral met zichzelf bezig zijn. In zijn studietijd raakte hij verder sterk geïnspireerd door Europese wildernissen en begraasde landschappen zoals in Thracië. De rijkdom die hij daar had gezien was inspiratie om in Nederland snel de eerste ideeën rond natuurontwikkeling in het rivierengebied op te pakken. Daar kwam bij dat hij tijdens een boeddhistische meditatiecursus van Matthijs Schouten had ervaren dat verandering het wezen der dingen is. Hij richtte met enkele mensen Bureau Stroming op om concrete ondersteuning en uitvoering te geven aan natuurontwikkelingsprojecten. De filosofie daarbij was dat de toegankelijkheid voor mensen, volledige openstelling, essentieel is. Later kwam er geld van de postcodeloterij beschikbaar, toen werd Stichting Ark opgericht. Welke projecten ben je nu echt trots op? De Gelderse Poort is toch wel top, inhoudelijk een doorbraak, enorme bezoekersaantallen en inmiddels draagvlak in de streek, ook bij de boeren.

Er ligt nog een wereld te winnen voor Stichting Ark. In Europa voltrekken zich ecologische drama’s: door het verdwijnen van weidegronden verdwijnen ook de rijkste ecosystemen van Europa terwijl die ook nieuwe semi-wilde kuddes zouden kunnen herbergen. Ook binnen Nederland valt nog veel te winnen met klimaatbuffers, het beter inrichten van bestaande gebieden en de introductie van roofdieren en grazers.

De wildernis heeft voor Wouter ook in Nederland wel toekomst. In functionele termen kan de wildernis bijdragen aan klimaatbuffers en als contramal voor de stedeling die zich wil kunnen ontspannen. Ook in emotionele termen is de wildernis belangrijk om vrijheid en contrast te ervaren. Het is niet voor niets dat excursies in de Oostvaardersplassen en in de bronsttijd zwaar overtekend zijn. De Millingerwaard met zijn theetuin is misschien wel het mooiste voorbeeld van de natuurgebieden die Wouter voor ogen staan: een dynamisch natuurgebied waar de natuur zijn gang kan gaan, waar veel mensen komen uit de nabijgelegen steden, niet alleen voor de natuur maar ook voor de cultuur. 

1 februari
Wouter en ik vertrekken op tijd want hij wil graag naar de oostpunt maar moet eind van de dag ook de boot weer hebben.  Wouter heeft een fantastische veldkennis, kent alle geluidjes van vogels, maar heeft ook een geoefend oog voor het gedrag van dieren. Als hij een kiekendief ziet aan het eind van de middag dan kijkt hij als het ware met die vogel mee in zijn speurtocht naar een slaapplaats, als hij een vogel voedsel ziet zoeken ziet hij dat die dat tegen de zon in doet om geen schaduw vooruit te werpen. Ik leer het verschil tussen een oeverpieper en een graspieper die ik nooit uit elkaar kon houden. Na een poosje komen we de troep strandleeuweriken tegen. Hij hoort een raar piepje en ontdekt zo dat er een ijsgors tussen zit. We staan ons nog vrolijk te maken over die ijsgors terwijl er alweer een groep sneeuwvinken voorbij komt. Deze waarnemingen passen helemaal bij deze dag: er staat een stevige oostenwind die door mijn handschoenen heen weet te blazen hoewel het niet zo koud is als afgelopen dagen.

Terwijl we verder lopen tussen het groene strand links en de duinen rechts zien we dat achter het groene strand zich een nieuwe duinenrij ontwikkelt, zo wordt er bijna ene nieuw eiland aangeplakt. Nog verder naar het oosten verdwijnt het groene strand en lopen we door een zee van duintjes. Daar gebeurt het: vier velduilen! Ze blijven laag en zoeken snel dekking. Zo mooi maar ook zo weemoedig om te beseffen dat dit mogelijke de enige vier velduilen in Nederland zijn. Ook een slechtvalk vliegt op een halve meter hoogte weg over het strand.

Na de duintjes komen we op die enorme zandplaat waar sneeuw overheen stuift. We staan te springen van vrolijkheid en enthousiasme over deze schoonheid, of is het begrip subliem hier meer op zijn plaats. We lopen nog meer dan een uur tegen de wind in naar de punt van het eiland. Halverwege trekt de hemel plotseling open. De contrasten exploderen: donkerblauwe lucht boven blinkend witte plaat.

Langs de Noordzeekust zit bijna geen vogel, wel prachtige ijskristallen op het strand. We zien dat de wolkjes die er nog zijn het midden van het eiland lijken te mijden, ze waaien ten noorden en ten zuiden van het eiland voorbij. Het is veel helderder dan van de week en we zien een enorme zandbank die zich van noord naar zuid uitstrekt, een stuk in de Noordzee begint en ver in de Waddenzee doorloopt. Achter de bank moet nog een zeegat zijn want we zien golven opspatten achter de bank. Ik de verte staan ook een paar huizen, dat zal het Duitse Bornholm wel zijn.

Langs de Waddenkust is het strand ook zandig en bedekt met een laag ijsgruis van decimeters. Hier zien we de eerste anderhalve kilometer veel vogels. Naast de meeuwen, scholeksters, bonte strandlopers en drietenen ook de kanoeten van gisteren. Nieuw zijn de zilverplevieren, honderden. Waar ze qua grootte en vorm wel wat op elkaar lijken, gedragen ze zich heel anders. Kanoeten altijd in groepen, zilverplevieren juist relatief solitair. De vogels zijn ook hier erg stil. De meeuwen zitten met ingetrokken poten op de sneeuw.

Na een fikse wandeling komen we bij de kwelder. Die ligt hier hoog en is zandig, geen zachte en geleidelijke overgaan naar het wad. We steken te hoogte van het Willemsduin weer door naar het strand en komen daar twee van onze velduilen weer tegen. En er scheurt een smelleken rond. Dat is een klein valkje, grootte van torenvalk, die altijd heel actief jaagt, een beetje als een zwaluw of een boomvalk. Op het strand krijgen we nog een afscheidscadeau: een jong vrouwtje slechtvalk komt laag over het strand langs gevlogen. Bruin met verticale strepen op de borst. Een paar seconden later duikt een mannetje langs haar heen. Ze spelen en vliegen verder. Met veel vogels voelde ik wel iets van mededogen deze dagen, koud, weinig tijd om aan het spaarzame voedsel te komen, altijd alert op een jager. Bij zo’n slechtvalk is dat anders. Altijd wel wat te eten en twee keer per dag even een vogel uit de lucht pikken is geen probleem. Een bejaardenhuis voor slechtvalken is er natuurlijk niet, dus het kan ook snel afgelopen zijn.

Bij de ger maak ik nog wat te eten voor Wouter, ik laat hem de laatste kilometers wildernis op weg naar de boot alleen genieten. Ik neem hartelijk afscheid van deze bijzondere man.

Ondertussen is het nog harder gaan waaien. De flap waarmee de top van de ger is af te dekken kan ik niet goed strak trekken. Ik wil de top nu ook niet afdekken want dan kan de kachelpijp niet door het dak. Als ik de kachel aansteek zie ik door de openingen in het dak vonken wegstuiven. Ga regelmatig even naar buiten. De vonken vliegen horizontaal weg en het dak is bovendien dik onder de rijp, veel kans op brand is er niet. Ik kijk wat ik nog aan vers eten heb: daarmee maak ik een prutje van ui-tomaat-ei voor op de laatste boterhammen.  

2 februari
Na een ochtendwandeling zet ik de telefoon aan en nodig de mannen van Natuurmonumenten uit om nog een kop koffie te komen drinken. Als ik in gesprek raak over de natuur blijkt een enorme betrokkenheid en kennis van zaken. Wat hen betreft kan het wilderniskarakter van het eiland hier en daar nog wel wat dynamischer worden. Veel dank voor de ontvangst en betrokkenheid!

Daarna pak ik mijn rugzak en neem afscheid van een van de mooiste plekken waar ik ooit ben geweest. Langzaam proevend van elke stap loop ik weer naar de bewoonde wereld. Intens genietend van de schoonheid heb ik bijna anderhalf uur nodig om bij de polder te komen en dan nog een half uurtje om bij de boot te komen. Op de boot, in de bus en de trein naar Bilthoven is het gelukkig erg rustig. Als ik ‘s avonds de foto’s aan mijn Yvonne laat zien en ik zie de foto van vanochtend heb ik het gevoel dat ik het eiland al een paar dagen eerder heb verlaten. Het omgekeerde van het normale vakantiegevoel: je bent net twee dagen op pad en hebt het gevoel al  een week weg te zijn.
 



terug naar overzicht van verhalen