|
|
terug naar overzicht
van verhalen

|
Strandpaal 6
door Henk
van Duuren
De blik
op het naderende eiland Schiermonnikoog vertedert, ondanks de felle
met regen gepaard gaande westenwind, die meedogenloos mijn gezicht
striemt. Ik besef nu dat het vakantiegevoel, het zoeken van rust en
vrijheid, nog maar een paar honderd meter van me verwijderd is.
De veerboot legt feilloos aan en met een heuse sprong maak ik me los
van de boot en land op mijn favoriete eiland. Drie weken van
luieren, struinen, zonnen, wandelen en hardlopen liggen voor me. Ik
zit zó in mijn eigen belevingswereld, dat ik vergeet dat ik niet
alleen op vakantie ben gegaan. “Hé Henk, je vergeet je koffer!”
brengt me terug in de werkelijkheid.
Mijn vrouw moppert op
het weer als ze de koffer in de slaapkamer van het vakantiehuis zet.
Refererend aan een Noors gezegde roep ik haar toe: “Ach lief, slecht
weer bestaat niet, slechte kleding wel!” Gegrom en bijpassende blik
maken me duidelijk dat ze een geheel ander inzicht heeft.
De regen komt met bakken uit de lucht en het wordt zo donker dat
mijn lief een schemerlampje ontsteekt. We nemen ruim de tijd om alle
spullen een vaste plaats te geven en zitten daarna met een dampende
kop koffie voor het raam te kijken naar de geseling der natuur.
Achter glas valt het best mee. Mijn vrouw leest een boek en ik buig
me over een net iets te moeilijk cryptogram. Het luieren is
begonnen. Morgen ga ik struinen, jutten, wandelen of hardlopen.
Volgens de radio zit zonnen voorlopig nog niet in het
vakantiepakket.
De
volgende middag ren ik kris kras door de duinen. Het is op dat
moment droog. Een felle noordwestenwind maakt dat het op de
onbeschutte plekken moeilijk is om het looptempo vast te houden. Het
wordt een ongeplande training vaartspel met veel klimmetjes en
dalingen. Het voelt goed. Mijn lijf is uitgerust na een verkwikkende
nachtrust en is in voor prestaties.
Bij de Prins Bernardweg sla ik na het paviljoen linksaf en beuk met
al mijn kracht tegen de wind in. Ik heb het gevoel gezandstraald te
worden en met dichtgeknepen ogen ren ik, hangend in de wind, voort.
In de verte loopt nog iemand hard. Een mooi mikpunt. Ik knok, vecht,
worstel en bikkel. Bij strandpaal 6 haal ik de persoon in. Ik kijk
opzij om te groeten en beland in de ogen van een vriendelijk
glimlachende beeldschone jonge vrouw.
Ik
voel de wind niet meer, verlies het contact met het strand, loop op
een wolk door dat korte oogcontact. “Violenoogjes, ze heeft
violenoogjes!” zingt het in me. Ik zweef, voel me even intens
gelukkig en land pas als de vrouw tegen me roept: “Straf windje! Ik
sla straks af en ga in de duinen lopen. Ga je mee?” Ik ben helemaal
de kluts kwijt, kijk haar aan nog eens aan en word opnieuw
overdonderd door haar blik, kom weer los van de grond en besef
opeens dat ik me smoorverliefd voel.
Ze
vertelt geanimeerd over haar hardlopen, de vakantie op het eiland
Schiermonnikoog en hoe ze er van geniet. Ik hoef zelf nauwelijks
iets te zeggen en al zou ik het willen, het lukt niet. Ik kan mijn
ogen niet los van haar krijgen en heb het gevoel steeds scheef te
lopen. Telkens als ze me recht in de ogen kijkt smelt ik van binnen
door het bonte palet van kleuren in haar iris. In het dorp zegt ze
ineens: “Ik ben er. Tot ziens!” Ik groet, ze slaat een hoek om en
weg is ze.
Ik
stop met hardlopen en wandel naar ons vakantiehuis met op mijn
netvlies het beeld van de jonge vrouw met de violenoogjes. Ik snap
niet wat me overkomen is, maar telkens als ik het beeld van het
eerste oogcontact oproep komt dat gelukzalige gevoel weer als een
warme deken over me heen. Hardop vraag ik me af hoe en of het
mogelijk om, als oud gebouw van in de vijftig met een huwelijkse
staat van meer dan dertig jaar, dit gevoel te krijgen.
Na het douchen zit ik samen met mijn vrouw op de bank en start met
“Wat me nu toch overkomen is!” en vertel haar mijn verhaal. Ze lacht
er om en doet het af met: “Lieverd, dat overkomt iedereen wel eens.
Dat is een bevlieging van het moment. Leuk dat jij dat ook eens
meemaakt. Dat heb ik wel vaker. Dromen mag, als het daar maar bij
blijft!”
Een dag later ren ik weer over Schiermonnikoog. Ik betrap me erop
dat ik steeds rondkijk. Op zoek naar mijn violenoogjes. Zonder er
bij na te denken, of onderbewust wel degelijk, loop ik richting
strandpaal 6. Geen beeldschone vrouwjonge. “Dromen mag!” hoor ik
mijn vrouw zeggen en visualiseer de ontmoeting, zie de violenoogjes
en even voel ik de wind niet meer, verlies ik weer het contact met
het strand en loop ik op een wolk. Het is slechte een fractie van de
eerste ervaring, maar het voelt zo geweldig, zó goed.
Elke keer bij het passeren van strandpaal 6 word ik gegrepen door
hetzelfde gelukzalige gevoel. De vrouw heb ik nooit weer gezien. Op
de laatste dag van mijn vakantie zit ik op de top van een duin, pluk
een bloem en trek er één voor één een bloemblaadje af, zoals ik dat
als kind wel deed ondertussen zeggend: “Ze houdt wel van me, ze
houdt niet van me!” Ik pas een variant toe: “Ik wil haar weer zien,
ik wil haar niet meer zien!”
Halverwege gooi ik de bloem weg, lach om mijn eigen dwaasheid en
besluit dat ik haar nooit meer hoef te zien. Strandpaal 6 bewaart
immers voor mij een herinnering, die nooit meer te overtreffen valt.

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|