|
|
terug naar overzicht
van verhalen
|
De troost
van het eeuwige land
door Marcel
Verreck
(eerder verschenen als column in metro)
Het land wordt leger, het Nederlands verdwijnt op de ANWB-borden, en
nu, zo iets na het middaguur begint de mist, die de Afsluitdijk tot
een tunnel maakte, langzaam op te lossen. De zon bestraalt hier en
daar al onbelemmerd het felle septembergroen van de Friese prairies.
Als een bloeddruppel die de opperhuid zoekt kruipt mijn autootje
door steeds fijner vertakte weggetjes naar de rand van het land.
Terpen aan de einder, zwermen vogels boven het verstilde
Lauwersmeer, de kromming van de dijk, de vernevelde silhouetten van
de sluizen en daar is het zilte eindpunt: Lauwersoog.
Ik ben met mijn zus op weg naar Schiermonnikoog. Twee en een half
jaar geleden was ik er voor het laatst, toen nog met onze moeder.
Tientallen malen eerder heb ik de oversteek gemaakt, met familie,
vrienden en geliefden. Ik denk dat ik zowat elke struik op het
eiland ken en misschien ook nog wel alle rondkuierende fazanten en
konijnen.
Geen bezoek is compleet zonder een totale controle van alle eeuwige
plekjes, overigens met een huurfiets van de gebroeders Soepboer in
een paar uur tijd te realiseren. De kaartjes voor de veerboot zijn
gekocht, de bagage in het gereedstaande door zeil beschermde
karretje geplaatst en van nu af noemen we de reis een ritueel.
Om de spanning er nog even in te houden, hult het eiland zich in een
laatste kleed van mist. De Waddenzee, die de veerboot tot een
elegante boog dwingt, klotst zijn nauwelijks zichtbare spel van eb
en vloed. Maar een scheefgetrokken boei onthult de kracht van de
stroom, die dit fascinerende waterlichaam permanent in beweging
houdt. Misschien dat je er daarom wel rustig van wordt, het water
maakt zich al druk, dus waarom zou jij het nog doen.
Inmiddels zijn de twee torens (de witte is water- en de rode is
vuur-) van het eiland zichtbaar geworden. De meeste passagiers
hebben de roef verlaten en hangen verlangend over de railing op het
zonnedek, dat zijn naam aan het waar maken is.
Over de veerdam, die als een wenkende arm naar de geul tast, rijdt
de bus en je kent de chauffeur. Dadelijk volgt het aanmeren, het
gulzige wachten tot de loopbrug geslagen is, en dan het uitwaaieren
van alle gasten over het eiland, dat klein is, maar moeiteloos zijn
bezoekers weet te verbergen. Althans, in voor -en najaar.
Ooit zeilde ik er in de zomer heen, compleet met al dan niet
ingecalculeerd droogvallen, en toen er eindelijk genoeg water stond
in het geultje naar het jachthaventje, was ik onthutst door de
drukte. Zo wilde ik mijn eiland niet kennen.
Maar zo nu, half september, is het wel okee. Goed, je komt de meeste
andere Schiergangers zes keer per dag tegen (op het strand, op de
fiets in het bos, zittend op een bankje aan de Westerplas, in de
supermarkt, op het terras in het dorp, wandelend in de kwelder),
maar vaak genoeg bevind ik me in gelukzalige eenzaamheid met de zo
vertrouwd gestoffeerde natuur.
Ik wandel met mijn zus over het brede strand en onze moeder is vaak
in onze gedachten en woorden. Zo zwanger is het eiland van
herinneringen, dat het misschien daarom zo lang heeft geduurd aleer
we weer zijn gekomen. Nu zijn we sterk genoeg om ook het eiland op
de hoogte te stellen van wat er is gebeurd. Dat zíj niet meer zal
komen.
Het eiland heeft de mededeling kalm opgevat, heeft ons getroost door
gewoon te blijven liggen waar het lag. En het heeft ons in
uitbundige herfstsfeer duidelijk gemaakt, dat het niet erg dat is
dat zij niet meer zal komen. Omdat ze immers overal al is.

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|