De
Tjatteljúed / De Ketelmannen
Voorwoord van David Kooistra
Onderstaande vertolking van de oude
Schiermonnikoger sage van 'De Ketelmannen'
van de hand van Louise Mellema verscheen
voor zover bekend als eerste in het
Nederlands. Dit was in 1939 in 'Eigen volk',
destijds een maandblad voor folklore en
dialect. Het verhaal werd door Tiete
Snelleman-Fenega overgezet in de eilander
taal, waarna het verscheen in Fokkema's
Schiermonnikeiger lôzbúek (1979). Hierna
verscheen het nog een keer eind jaren
negentig in het boekje 'Op 'e bjokkens fan
de tiid', dat uitgegeven werd door de
Taalplúech van de Cultuurhistorische
Vereniging 't Heer en Feer te
Schiermonnikoog. Omdat de Nederlandstalige
tekst niet voor handen was werd de tekst
weer door mij in het Nederlands vertaald.
|
|
De Tjatteljúed
(voor
vertaling klik hier)
Wer’t de straun sò breed en flak is, dat de dúne net mair tò sjain
binne, roonden op in winterdei yn in iizigen nooidaisterstarm
fjeeuwr manjúed. It wie de bemanning fan in lytj schip, dat op de
greeuwnen feur it eilaun straunge wie.
Út
de klauwen fan de deud yn it watter red, bokselen se yn har
dongtrochwiete klaine, tat yn har hets ferklúme, de straun oof: ôl
har lejen en har aunst ten spyt, perberen se de múed der yn tò
hauden.
It
ienege wat se mooinimd hiene, wie in gotten keuperen tjattel, dy’t
se om búes feur heusfat brúkten. Werom’t se eigentlik dy tjattel
mooinimd hiene, wisten se salm net; ja wiene helendal ferbjostere
wein. It wie mône, maar it bleeuwn tjoster. De loft wes pikdriigende
swets en it begoon tò snejen. Feur har niks as de eeuwneendigene
saunflakte. Tichter en tichter wes de sniefaal. Jà wisten net, wer’t
it ôlegerre sò gau wooi koom.
De
wiin wes al hesder en hesder. Jà hiene it gefúel, aft se reeuwnom yn
it watter roonden, sò heersden se oon ôle kaunten de see tò keer
gain. Jà wezzen der stil fan en bleeuwnen maar tichte byineeuwr.
Nach altyd roonden se by de watterskaunt troch en as se wat brúkbers
feeuwnen, kôsfet en eeuwr spil, stiiken se it yn ‘e bús. Ne ’t se
heiger op ‘e straun komen, fele se it fyne dúnsaun troch de snie
hanne yn har gesicht gyselje, wat danigene pynlik is yn har troch
seewatter útbytene hieuwd.
Maar, tachten se, dat saun is it baste bewys, dat se tichter by de
dúnkaunt komme. Maar meuliker as it wiete saun is it ronen yn it
molle dúnsaun mooi dà gotte betten oon, dà’t swier fan watter binne.
“Wy mosten maar twa by twa gain”, sei de iene, “dan hewwe wy mair
kauns om minsken tò fiinen”. Swejend knikten de eeuwren. Sò stúechen
jà nach even mooi syn fjeeuwren byineeuwr en se ferdeelden de
stokken kôsfet. Tòmuk seigen se nach’ris nooi ineeuwr en seinen:
“Fut dan maar!” Twa gúegen jochts en twa lafts oof. Nooi in pair
stappen kúene se de beide, dà’t de tjattel mooinimd hiene, al net
mair sjain. De eeuwre twa gúegen ne aik mair fierder.
Eeuwnheilspellend gysele de sniestarm yn it dúnsaun, dat nach troch
gin halmbeplanting fastheeuwden wes. Dat steeuwde en ferwooide yn ’t
wylde wooi en forme hier en der dúne en sniebilten om in stok
straunheeuwt af in oonspeelden torfkúer hanne.
De
manjúed hiene maar ien gedachte: wy motte yn beweging blieuwe; as wy
raste, fale wy yn sliep en ferstiivje wy fan kaude en wezze wy
eeuwnder it oonsteeuwende dúnsaun bedúelen.
It
ronen fúel har hò langer hò swierder. Jà heeuwden ineeuwr by de
eermen beet en sterrelen ieuwr ‘e straun. Snie en saun gyselje om
har hanne. Launsum schúffelje se feurút, dún op, dún oof.
Tach is er ien ding, dat har wat múed jeeuwt. Jà here de see hò
langer hò fierder fut. “Stai es stil”, sei de audste, “ik leeuw dat
ik wat heer!” Jà lústerje. De snie plakte op har rech en it saun
sieuwze om har fotten. Jà heersden it watter, dat út har brúek en
hassakken yn de betten kloske. Jà seigen de snie as peujer
fersteeuwen en heersden de starmwiin om de dúntappen sieuwzjen.
Dà,
bope de wiin út, de ferwooide klanken fan in klak jò’t slúech. Jà
grype ineeuwr fast en stammerje: “God tank!” en sweje wier. Fan út
de grauwe ienteunichheid om har hanne sjogge se de omtrek fan it
darp opkomme, wer’t se even latter hail befeizen en daidoof oonkomme.
Yn
in eugenblik wet yderien, dat der twa schipbreukelingen oon komd
binne. Yn de herberch fertôle se har ienfaudich ferhaal oon de
eilanders, dà’t mooi schrik tò wyten komme, dat jà mooi har
fjeeuwren wiene.
Fole manjúed út it darp gúegen futendaadlik mooi lappe en in
misthúern der op út, maar it júech ôlegerre niks. Wal feeuwnen se de
eeuwre mône de keuperen tjattel, dy’t se by har haun hiene.
As
de wiin jauns troch de halmen sieuwze en it al tjoster wedt, metje
de spyljende ben, dat se gau tús komme, want de gotte minsken
fertôle, dat de tjatteljúed, dà’t neut feeuwn binne, nach altyd
reeuwndwylje………!
_____________________________________________________
De Ketelmannen
Waar het stand zo breed en vlak is, dat de duinen niet meer te zien
zijn, bewogen zich op een winterdag in een ijzige noordoosterstorm
vier mannen voort. Het was de bemanning van een scheepje, dat op de
gronden voor het eiland gestand was.
Uit de klauwen van de dood in het water gered, sleepten ze zich in
hun door en doornatte kleren, tot in hun hart verkleumd, voort het
strand af: al hun leiden en hun angst ten spijt, probeerden ze de
moed erin te houden.
Het enige wat ze meegenomen hadden, was een grote koperen ketel, die
ze aan boord als hoosvat gebruikten. Waarom ze eigenlijk die ketel
meegenomen hadden wisten ze zelf niet; verdwaasd als ze waren. Het
was morgen, maar het bleef donker. De lucht werd volkome zwart en
het begon te sneeuwen. Vóór hen niets anders dan de oneindige
zandvlakte. Dichter en dichter werd de sneeuwval. Ze wisten niet
waar het allemaal zo gauw vandaan kwam.
De
wind werd al harder en harder. Ze hadden het gevoel, alsof ze zich
omringd door het water voort bewogen, zo hoorden ze aan alle kanten
de zee ter keer gaan. Ze werden er stil van en bleven maar dicht bij
elkaar.
Nog altijd bewogen ze zich bij de waterkant langs voort en als ze
wat bruikbaars vonden, kaarsvet en ander goed, staken ze het in de
zak. Nu ze hoger op het strand kwamen, voelden ze het fijne duinzand
door de sneeuw heen hun gezicht geselen, wat behoorlijk pijnlijk is
op een door zeewater uitgebeten huid.
Maar, dachten ze, dat zand is het beste bewijs, dat ze dichter bij
de duinrand komen. Maar moeilijker dan in het natte zand is het
voortbewegen in het mulle duinzand met die grote lange laarzen aan,
die zwaar van water zijn.
“We moesten maar twee aan twee gaan”, zei de ene, “dan hebben we
meer kans om mensen te vinden”. Zwijgend knikten de anderen. Zo
stonden ze nog even met z’n vieren bij elkaar en ze verdeelden de
stukken kaarsvet. Ze keken elkaar nog eens ter verstandhouding aan
en zeiden: “Voort dan maar!” Twee gingen rechts en twee links af. Na
een paar stappen konden ze de beiden, die de ketel meegenomen
hadden, al niet meer zien. De andere twee gingen nu ook maar verder.
Onheilspellend geselde de sneeuwstorm het duinzand, dat nog niet
door helmbeplanting vastgehouden werd. Dat stoof en woei in het
wilde weg en vormde hier en daar duinen en sneeuwbulten om een stuk
strandhout of een aangespoelde turfmand heen.
De
mannen hadden maar één gedachte: we moeten in beweging blijven; als
we rusten, vallen we in slaap en verstijven we van de kou en worden
we onder het aanstuivende duinzand bedolven.
Het voortbewegen viel hen al langer hoe zwaarder. Ze hielden elkaar
bij de armen beet en bewogen zich al stokkend voort over het strand.
Sneeuw en zand schuurde langs hen heen. Langzaam schuifelden ze
vooruit, duin op, duin af.
Toch is er één ding dat hen wat moet geeft. Ze horen de zee al
langer hoe verder weg. “Sta eens stil”, zei de oudste, “ik geloof
dat ik wat hoor!” Ze luisteren. De sneeuw plakte op hun rug en het
zand suisde om hun voeten. Ze hoorden het water dat uit hun broek en
overkousen in de lange laarzen klotste. Ze zagen de sneeuw als
poeier verstuiven en hoorden de stormwind om de duintoppen suizen.
Daar, boven de wind uit, de verwaaide klanken van een klok die
sloeg. Ze grijpen elkaar vast en stamelen: “God dank!” en zwijgen
weer. Vanuit de grauwe eentonigheid om hen heen zien ze de contouren
van het dorp opdoemen, waar ze even later half bevroren en doodop
aankomen.
Binnen de kortste keren weet iedereen dat er twee schipbreukelingen
aangekomen zijn. In de herberg vertellen ze hun eenvoudig verhaal
aan de eilanders, die met schrik te weten komen, dat ze met z’n
vieren waren.
Vele mannen uit het dorp gingen er onmiddellijk met spaden en
misthoorn op uit, maar het gaf allemaal niks. Wel vonden ze de
volgende morgen de koperen ketel, die ze bij haar gehad hadden.
Wanneer de wind ’s avonds door de halmen suist en het al donker
wordt, maken de spelende kinderen, dat ze gauw thuis komen, want de
grote mensen vertellen, dat de Ketelmannen, die nooit gevonden zijn,
nog altijd rondwalen…….!

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |