Maak uw keuze

   home

   
  accommodaties
   
    geschiedenis
   
    dorp/bereikbaarheid
   
   bezienswaardigheden   
    vredenhof - bunker wassermann
    vuurtoren -  bezoekerscentrum -
    jachthaven - schelpenmuseum -
    walviskaken - de eendenkooi
   
    nationaal park
   
    bezoekerscentrum
 
   excursies
   
    landschappen/natuur
     wad - polder - westerplas -
     bos - kwelder - duinen -
     strand
   
    activiteiten
   
  verhalen
   
   taal
   
  •  kunstenaars
    en 't eiland
   
    
   
    links / © 2011
   
    mail webbeheerder
   
    inhoudsopgave site
 


terug naar overzicht
van verhalen



  
 

 
De Tjatteljúed / De Ketelmannen
 

Voorwoord van David Kooistra


Onderstaande vertolking van de oude Schiermonnikoger sage van 'De Ketelmannen' van de hand van Louise Mellema verscheen voor zover bekend als eerste in het Nederlands. Dit was in 1939 in 'Eigen volk', destijds een maandblad voor folklore en dialect. Het verhaal werd door Tiete Snelleman-Fenega overgezet in de eilander taal, waarna het verscheen in Fokkema's Schiermonnikeiger lôzbúek (1979). Hierna verscheen het nog een keer eind jaren negentig in het boekje 'Op 'e bjokkens fan de tiid', dat uitgegeven werd door de Taalplúech van de Cultuurhistorische Vereniging 't Heer en Feer te Schiermonnikoog. Omdat de Nederlandstalige tekst niet voor handen was werd de tekst weer door mij in het Nederlands vertaald.
 

De Tjatteljúed  (voor vertaling klik hier) 

Wer’t de straun sò breed en flak is, dat de dúne net mair tò sjain binne, roonden op in winterdei yn in iizigen nooidaisterstarm fjeeuwr manjúed. It wie de bemanning fan in lytj schip, dat op de greeuwnen feur it eilaun straunge wie.

Út de klauwen fan de deud yn it watter red, bokselen se yn har dongtrochwiete klaine, tat yn har hets ferklúme, de straun oof: ôl har lejen en har aunst ten spyt, perberen se de múed der yn tò hauden.

It ienege wat se mooinimd hiene, wie in gotten keuperen tjattel, dy’t se om búes feur heusfat brúkten. Werom’t se eigentlik dy tjattel mooinimd hiene, wisten se salm net; ja wiene helendal ferbjostere wein. It wie mône, maar it bleeuwn tjoster. De loft wes pikdriigende swets en it begoon tò snejen. Feur har niks as de eeuwneendigene saunflakte. Tichter en tichter wes de sniefaal. Jà wisten net, wer’t it ôlegerre sò gau wooi koom.

De wiin wes al hesder en hesder. Jà hiene it gefúel, aft se reeuwnom yn it watter roonden, sò heersden se oon ôle kaunten de see tò keer gain. Jà wezzen der stil fan en bleeuwnen maar tichte byineeuwr.

Nach altyd roonden se by de watterskaunt troch en as se wat brúkbers feeuwnen, kôsfet en eeuwr spil, stiiken se it yn ‘e bús.  Ne ’t se heiger op ‘e straun komen, fele se it fyne dúnsaun troch de snie hanne yn har gesicht gyselje, wat danigene pynlik is yn har troch seewatter útbytene hieuwd.

Maar, tachten se, dat saun is it baste bewys, dat se tichter by de dúnkaunt komme. Maar meuliker as it wiete saun is it ronen yn it molle dúnsaun mooi dà gotte betten oon, dà’t swier fan watter binne.

“Wy mosten maar twa by twa gain”, sei de iene, “dan hewwe wy mair kauns om minsken tò fiinen”. Swejend knikten de eeuwren. Sò stúechen jà nach even mooi syn fjeeuwren byineeuwr en se ferdeelden de stokken kôsfet. Tòmuk seigen se nach’ris nooi ineeuwr en seinen: “Fut dan maar!” Twa gúegen jochts en twa lafts oof. Nooi in pair stappen kúene se de beide, dà’t de tjattel mooinimd hiene, al net mair sjain. De eeuwre twa gúegen  ne aik mair fierder.

Eeuwnheilspellend gysele de sniestarm yn it dúnsaun, dat nach troch gin halmbeplanting fastheeuwden wes. Dat steeuwde en ferwooide yn ’t wylde wooi en forme hier en der dúne en sniebilten om in stok straunheeuwt af in oonspeelden torfkúer hanne.

De manjúed hiene maar ien gedachte: wy motte yn beweging blieuwe; as wy raste, fale wy yn sliep en ferstiivje wy fan kaude en wezze wy eeuwnder it oonsteeuwende dúnsaun bedúelen.

It ronen fúel har hò langer hò swierder. Jà heeuwden ineeuwr by de eermen beet en sterrelen ieuwr ‘e straun. Snie en saun gyselje om har hanne. Launsum schúffelje se feurút, dún op, dún oof.

Tach is er ien ding, dat har wat múed jeeuwt. Jà here de see hò langer hò fierder fut. “Stai es stil”, sei de audste, “ik leeuw dat ik wat heer!” Jà lústerje. De snie plakte op har rech en it saun sieuwze om har fotten. Jà heersden it watter, dat út har brúek en hassakken yn de betten kloske. Jà seigen de snie as peujer fersteeuwen en heersden de starmwiin om de dúntappen sieuwzjen.

Dà, bope de wiin út, de ferwooide klanken fan in klak jò’t slúech. Jà grype ineeuwr fast en stammerje: “God tank!” en sweje wier. Fan út de grauwe ienteunichheid om har hanne sjogge se de omtrek fan it darp opkomme, wer’t se even latter hail befeizen en daidoof oonkomme.

Yn in eugenblik wet yderien, dat der twa schipbreukelingen oon komd binne. Yn de herberch fertôle se har ienfaudich ferhaal oon de eilanders, dà’t mooi schrik tò wyten komme, dat jà mooi har fjeeuwren wiene.

Fole manjúed út it darp gúegen futendaadlik mooi lappe en in misthúern der op út, maar it júech ôlegerre niks. Wal feeuwnen se de eeuwre mône de keuperen tjattel, dy’t se by har haun hiene.

As de wiin jauns troch de halmen sieuwze en it al tjoster wedt, metje de spyljende ben, dat se gau tús komme, want de gotte minsken fertôle, dat de tjatteljúed, dà’t neut feeuwn binne, nach altyd reeuwndwylje………!

_____________________________________________________

De Ketelmannen 

Waar het stand zo breed en vlak is, dat de duinen niet meer te zien zijn, bewogen zich op een winterdag in een ijzige noordoosterstorm vier mannen voort. Het was de bemanning van een scheepje, dat op de gronden voor het eiland gestand was.

Uit de klauwen van de dood in het water gered, sleepten ze zich in hun door en doornatte kleren, tot in hun hart verkleumd, voort het strand af: al hun leiden en hun angst ten spijt, probeerden ze de moed erin te houden.

Het enige wat ze meegenomen hadden, was een grote koperen ketel, die ze aan boord als hoosvat gebruikten. Waarom ze eigenlijk die ketel meegenomen hadden wisten ze zelf niet; verdwaasd als ze waren. Het was morgen, maar het bleef donker. De lucht werd volkome zwart en het begon te sneeuwen. Vóór hen niets anders dan de oneindige zandvlakte. Dichter en dichter werd de sneeuwval. Ze wisten niet waar het allemaal zo gauw vandaan kwam.

De wind werd al harder en harder. Ze hadden het gevoel, alsof ze zich omringd door het water voort bewogen, zo hoorden ze aan alle kanten de zee ter keer gaan. Ze werden er stil van en bleven maar dicht bij elkaar.

Nog altijd bewogen ze zich bij de waterkant langs voort en als ze wat bruikbaars vonden, kaarsvet en ander goed, staken ze het in de zak. Nu ze hoger op het strand kwamen, voelden ze het fijne duinzand door de sneeuw heen hun gezicht geselen, wat behoorlijk pijnlijk is op een door zeewater uitgebeten huid.

Maar, dachten ze, dat zand is het beste bewijs, dat ze dichter bij de duinrand komen. Maar moeilijker dan in het natte zand is het voortbewegen in het mulle duinzand met die grote lange laarzen aan, die zwaar van water zijn.

“We moesten maar twee aan twee gaan”, zei de ene, “dan hebben we meer kans om mensen te vinden”. Zwijgend knikten de anderen. Zo stonden ze nog even met z’n vieren bij elkaar en ze verdeelden de stukken kaarsvet. Ze keken elkaar nog eens ter verstandhouding aan en zeiden: “Voort dan maar!” Twee gingen rechts en twee links af. Na een paar stappen konden ze de beiden, die de ketel meegenomen hadden, al niet meer zien. De andere twee gingen nu ook maar verder.

Onheilspellend geselde de sneeuwstorm het duinzand, dat nog niet door helmbeplanting vastgehouden werd. Dat stoof en woei in het wilde weg en vormde hier en daar duinen en sneeuwbulten om een stuk strandhout of een aangespoelde turfmand heen.

De mannen hadden maar één gedachte: we moeten in beweging blijven; als we rusten, vallen we in slaap en verstijven we van de kou en worden we onder het aanstuivende duinzand bedolven.

Het voortbewegen viel hen al langer hoe zwaarder. Ze hielden elkaar bij de armen beet en bewogen zich al stokkend voort over het strand. Sneeuw en zand schuurde langs hen heen. Langzaam schuifelden ze vooruit, duin op, duin af.

Toch is er één ding dat hen wat moet geeft. Ze horen de zee al langer hoe verder weg. “Sta eens stil”, zei de oudste, “ik geloof dat ik wat hoor!” Ze luisteren. De sneeuw plakte op hun rug en het zand suisde om hun voeten. Ze hoorden het water dat uit hun broek en overkousen in de lange laarzen klotste. Ze zagen de sneeuw als poeier verstuiven en hoorden de stormwind om de duintoppen suizen.

Daar, boven de wind uit, de verwaaide klanken van een klok die sloeg. Ze grijpen elkaar vast en stamelen: “God dank!” en zwijgen weer. Vanuit de grauwe eentonigheid om hen heen zien ze de contouren van het dorp opdoemen, waar ze even later half bevroren en doodop aankomen.

Binnen de kortste keren weet iedereen dat er twee schipbreukelingen aangekomen zijn. In de herberg vertellen ze hun eenvoudig verhaal aan de eilanders, die met schrik te weten komen, dat ze met z’n vieren waren.

Vele mannen uit het dorp gingen er onmiddellijk met spaden en misthoorn op uit, maar het gaf allemaal niks. Wel vonden ze de volgende morgen de koperen ketel, die ze bij haar gehad hadden.

Wanneer de wind ’s avonds door de halmen suist en het al donker wordt, maken de spelende kinderen, dat ze gauw thuis komen, want de grote mensen vertellen, dat de Ketelmannen, die nooit gevonden zijn, nog altijd rondwalen…….! 




terug naar overzicht van verhalen         naar bovenzijde pagina