|
|
terug naar overzicht
van verhalen
|
Jeugdherinneringen
door Letta
Visser
Ik ben
op het eiland geboren aan de Noorderstreek 8, waar nu Tjalling
Arends woont. Ik woonde naast de familie Hooghart en aan de oostkant
woonde de familie Ubbink. Met de kleinkinderen van deze familie
speelde ik vaak. Opa Ubbink had geiten en kippen, dus er was altijd
wat te doen. Wanneer onze ouders met opa en oma ‘aan de
boerenjongens’ zaten, dan voerden wij de rozijntjes aan de kippen en
dan vonden het toch wel raar dat die kippen zomaar omvielen!
Daar aan de Noorderstreek en in het duin hebben we wat afgespeeld.
Waar nu het zwembad is, was toen - begin vijftiger jaren - een groot
stuifduin. Daar maakten we huisjes en versierden we de tuintjes met
grassen, besjes en bloemen, die we toen nog mochten plukken.
In de winter was er in mijn herinnering elk jaar sneeuw en ijs en
schaatsten we op het ondergelopen landje, dat nu voetbalveld is en
natuurlijk gingen we met de slee van het duin. Als het torenlicht
aanging moesten we naar huis; een duidelijke regel.

Letta met Lytje Willem |
Onze
tuin grensde aan de tuin van Lytje Willem
(1893 -
1982). Ik was daar
vaak te vinden. In zijn schuur verzamelde Lytje Willem
de mooiste voorwerpen; ook verkocht hij er petroleum en
daar mocht ik dan mee helpen. Mijn moeder was daar niet
zo blij mee...!
Toen ik weer eens op weg was ‘naar de schuur vol
schatten’, kreeg ik de schrik van mijn leven. In de tuin
van Lytje Willem werd ik verwelkomd door een aantal
kippen zonder kop! Ja, Lytje Willem slachtte ook af en
toe een paar kippen en liet ze bij de laatste
stuiptrekkingen zo rondlopen. Deze ervaring heeft er
waarschijnlijk toe bijgedragen dat ik een kip op mijn
bord nog steeds niet zo ambieer, maar dat ik meer ga
voor het - wat minder herkenbare - kipfiletje.
|
Toen ik acht jaar
was zijn we naar de Voorstreek verhuisd, waar mijn vader een oud
huisje had gekocht en er een nieuw huis werd neergezet door buurman
Hooghart. Wij werden de buren van slager De Vries. Het slachthuis
stond in de tuin (nu zomerhuisje Sonja). Regelmatig werden er
varkens en koeien geslacht en de kinderen uit de buurt hingen dan
over de onderdeur om te kijken hoe buurman De Vries de klus klaarde.
Als ik er aan denk ruik ik nog de lucht die daar hing. Het gevolg is
dat er bij ons geen bloedworst op tafel komt!
Toen ik zes jaar was, ging ik naar school en kwam bij juf Martha
Karst in klas 1, 2 en 3, om daarna in klas 4, 5 en 6 bij meester
Leopold, meester Van der Meulen en een half jaartje bij meester
Koning te zitten. Alles was zo overzichtelijk. In de pauze mochten
we naar huis, dat was dan rennen. Als je binnenkwam stond je
bekertje warme chocolademelk al klaar, waarna we met een stuk koek
in de hand weer hard hollend naar school teruggingen.
Na schooltijd brachten we onze tijd door in de duinen; vlotje varen
op de Louwvlakte, waar toen nog geen huizen stonden, maar in aanbouw
waren, en wij van oude planken en deuren prachtige vlotten maakten.
In de winter en herfst speelden we in de streken: blikspuiten,
deurtje bellen, hinkelen, tiepelen, klokkenspel van elven (met soms
wel 4 ballen) tegen de muur in de steeg bij Zigterman of tegen de
muur van tante Cornelia. We verveelden ons nooit.
Het mooiste was als je 's avonds post mocht halen. Een lange rij
stond dan voor het postkantoor te wachten tot Posthumus de deur open
deed. En wij maar kattenkwaad uithalen. We waren dus altijd de
laatsten en kwamen laat thuis, met de post verfomfaaid in de tas,
met alle gevolgen van dien. Maar ondertussen hadden we de pruimen
geproefs - die bij smid Faber achter in de tuin groeiden - of de
appeltjes ergens aan de Langstreek om de Noord. De buikpijn… daar
spraken we maar niet over.
Na de lagere school naar de ulo, om na 4 jaar examen te doen en dan
eindelijk de wijde wereld in te gaan. Daar zagen we toch allemaal
wel naar uit: spannend, maar ook weer leuk. Wij kwamen niet ieder
weekend naar huis, want de boten voeren nog op tij, daar hing het
van af of er op een gunstig tijdstip werd gevaren. Als je op de
terugreis dan ook nog een lift naar Groningen kon krijgen, was het
helemaal top. Prachtig mooi was de winter van 1962/63; we kwamen
toen met de ‘Beavertjes’ van vliegbasis Leeuwarden naar huis.
Na mijn examen aan de kleuterkweekschool in Groningen ben ik naar
Enschede vertrokken. Daarna zijn er nog veel verhuizingen en scholen
geweest, om nu in Vries (Drenthe) te wonen. Wij - Ferry, Wouter,
Marijn en ik - zijn in de gelukkige omstandigheid dat we mijn
ouderlijk huis als ‘vakantiehuis’ kunnen blijven gebruiken en daar
dan ook erg veel gebruik van maken. Ik ben dan weer thuis of is het
‘thuis-thuis’? Of - zoals onze kinderen zeggen - ‘thuis-thuis-thuis’.
Dat dit wel eens verwarring geeft, spreekt voor zich.

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina |
|