Zijn
ouders dachten dat 'het Schiermonnikoogvirus' na een
paar maanden wel over zou zijn, maar inmiddels woont
Erik Jansen alweer een aantal jaren op het
Waddeneiland. De geboren en getogen Brabander heeft
het er prima naar zijn zin en wil voorlopig nog niet
terug naar het vasteland. Het levensverhaal van 'een
eilander'.
|
 |
Schiermonnikoog is
gewoon een geweldig eiland. Het is klein, behapbaar en
overzichtelijk. In een paar uur fiets ik het hele eiland rond.
In de zomer van 1996 kwam ik er voor het eerst. Ik studeerde
geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Veel vrije
tijd bracht ik door in de natuur. Op een gidsencursus ontmoette
ik iemand die gids was op Schiermonnikoog. Via hem heb in ik de
zomers van 1996 tot 1999 rondleidingen gegeven op het eiland.
Dat beviel best.
Na de afronding van
mijn studie heb ik mijn lesbevoegdheid gehaald. Maar ik had er
niet veel zin in direct als leraar geschiedenis in het
voortgezet onderwijs aan de slag te gaan. Ik kreeg van
Natuurmonumenten het aanbod een halfjaar lang op Schiermonnikoog
te komen werken als gids. Dat heb ik met beide handen
aangegrepen.
Mijn ouders dachten dat het om een veredeld vakantiebaantje ging
en maakten zich niet veel zorgen. Maar aan het eind van die
periode werd mijn tijdelijke functie omgezet in een vaste. Dat
was even schrikken. Vooral mijn moeder vond het maar niks, zo’n
gidsenbaantje op een eiland. Ze is kleuterleidster en hield mij
in het begin regelmatig op de hoogte van vacatures in het
onderwijs in Brabant. Toen ik daar niet op reageerde, hield de
stroom vanzelf op.
Het wonen op
Schiermonnikoog bevalt me prima. Er zijn mensen die na hun
pensionering op het eiland komen wonen om van de rust te
genieten, maar die na een stille winter gillend gek worden en
weer snel verdwenen zijn. Het is heel belangrijk dat je als
nieuwkomer jezelf openstelt voor de mede-eilanders en je niet
thuis opsluit. In het begin had ik alleen contact met mijn
collega’s van Natuurmonumenten. Later kwamen de mensen van de
cultuurhistorische vereniging erachter dat ik geschiedenis had
gestudeerd. Onmiddellijk vroegen ze me om in de redactie van hun
blad zitting te nemen. Als je geen buitenstaander wilt blijven,
moet je daar geen nee tegen zeggen. Inmiddels ben ik ook lid van
de toneelvereniging en zit ik in de redactie van de Dorpsbode.
Zodoende ben ik bijna elke avond bezet en hoef ik mij geen
moment te vervelen.
Een probleem dat op elk Waddeneiland speelt, is de vergrijzing.
Als hier huizen te koop komen, worden die vaak gekocht door
bemiddelde mensen van het vasteland die hier alleen ’s zomers of
in de weekenden wonen. Officieel mogen die huizen alleen
permanent bewoond worden, maar dat valt moeilijk te controleren.
Rijkelui bieden gerust 600.000 euro voor een klein huisje midden
in het dorp. Jonge eilandbewoners kunnen dat natuurlijk niet
opbrengen en verhuizen noodgedwongen naar de wal.
Wat dat betreft heb ik geluk gehad. In het begin woonde ik twee
jaar in de ruimte boven het bezoekerscentrum. Omdat ik daar geen
post kon ontvangen, had ik mijn postadres nog in Brabant.
Daardoor was ik op de lijst van woningzoekenden van
Schiermonnikoog een urgent geval en kon ik later een huisje
huren. Het staat recht tegenover het kantoor van
Natuurmonumenten waar ik werk.
Mijn belangrijkste taak is de beheerevaluatie van de gebieden
van Natuurmonumenten op Schiermonnikoog. Ook het beheer van het
vogeleiland Griend en de Bantpolder bij het Groningse Uithuizen
evalueer ik. Zo houd ik bijvoorbeeld het aantal broedparen op
Griend in de gaten. En dat gaat het bijvoorbeeld om de populaties van de grote stern, de noordse
stern en de visdief.
Voorlopig wil ik op Schiermonnikoog blijven wonen. Er wordt een
nieuw bezoekerscentrum gebouwd. Ook ben ik bezig aan een nieuw
beheerplan. De afronding van die beide projecten wil ik graag
nog meemaken. Daar kan nog wel drie tot vier jaar overheen gaan.
Uiteindelijk zal ik wel weer naar de vaste wal terugkeren. Is
mijn moeder ook weer blij.
Bron:
Reformatorisch Dagblad