|
|
terug naar overzicht
van verhalen

|
Terug naar weleer:
vakantie op Schiermonnikoog
Door
Kees Versluis | dinsdag 25 juli 2006
Mevrouw Westerhof
legt uit waar we moeten zijn: vanaf de boot links, rechts, links, en
dan het huis waarvoor een mijlpaal met een vogel staat.
Jeugd
Schiermonnikoog, het eiland van mijn jeugd. Bijna ieder jaar gingen
we twee, drie weken naar het kleinste Waddeneiland. Al in januari
begon mijn moeder te bellen voor een zomers vakantiehuisje in de
duinen. In mijn herinnering hing ze dagen aan de lijn met VVV en
huiseigenaren om te informeren naar de afstand tot de naburige
huisjes en om te onderhandelen over de prijs. Ik heb destijds nooit
beseft dat dat vroegtijdige gebel noodzakelijk was, omdat het eiland
’s zomers volledig volgeboekt is en dat een pension voor één
nachtje in het weekend in het hoogseizoen eenvoudig niet te vinden
is.
Naar de boot
We
rijden tot de afslag Boerakker op de A7 naar Groningen. Daarna gaat
het over landweggetjes naar Lauwersoog. Het landschap wordt steeds
weidser, ontvolkter. Hier en daar ligt een kazerne langs de weg en
ik vang een glimp op van Nederlands belangrijkste en geheimste
spionagebolwerk: de schotels bij Zoutkamp, waarvandaan een flink
deel van het telefoonverkeer in West-Europa kan worden afgeluisterd.
Dan plots de Waddenzee, bij eb een modderige vlakte. Middenin de
woestenij liggen twee grote parkeerterreinen. De boot naar Schier
komt net aangevaren.
Herinnering
De medepassagiers op de boot vallen een beetje tegen. Ze zijn zo
'gewoon'. Witte gezinnen en stelletjes uit Vinex-wijken. In mijn
herinnering was het in de jaren zeventig en begin jaren tachtig een
ander slag. Waddentoerisme had toen iets ideologisch. Op de boot zag
het zwart van de activistische Waddenzee-T-shirts. Mannen hadden
lang haar of een baard en droegen een parka. Bij vrouwen kriebelde
het haar onder de oksels; ze hadden een stekelige coupe en droegen
bovengemiddeld vaak een tuinbroek.
Marijke
Bij mij in de klas zat ook zo’n fanatieke waddenverdedigster,
Marijke heette ze. Ze had een kortgeknipt jongensachtig koppie en
was niet alleen erg pro-Waddenzee, maar ook heel erg tegen
kernwapens. Haar verbazing was groot toen ik haar een keer vertelde
dat ik met mijn ouders en broertjes iedere zomer naar
Schiermonnikoog ging. ‘Jij? Maar je hebt nooit een
Red-de-Waddenzee-T-shirt aan. En je maakt grapjes over de
neutronenbom.’
Duinwater
‘Niet te lang douchen’, zegt mevrouw Westerhof als ze het
gemeenschappelijke badkamertje in haar pension laat zien. ‘Het is
namelijk duinwater. En als het donker is geen herrie maken.’ We
krijgen een sleutel en ze vraagt hoe laat we de volgende ochtend het
ontbijt voor de deur gezet willen hebben.
Middagpauze
Vanuit het piepkleine jarenzeventignieuwbouwwijkje waar mevrouw
Westerhof woont, fietsen we binnen twee minuten naar het centrum van
het enige dorp op Schiermonnikoog. Er lijkt in dertig jaar niets
veranderd. Supermarkt Schut met de karakteristieke puntgevel is er
nog steeds. Voor de winkel net als dertig jaar geleden: kleurige
schepjes en vliegers. En de siësta wordt hier nog altijd in ere
gehouden. De VVV is dicht rond het middaguur; ‘kunst &
design’-winkeltje Retteketet: gesloten van twaalf tot twee. Zo was
het ook ooit in het Zuid-Hollandse dorp waar ik opgroeide, maar daar
is die tussen-de-middagpauze al lang afgeschaft.
Terrasjes
Wat er wel veranderd is op Schier, is het aantal restaurants en
terrasjes. Vroeger had je hotel Van der Werff en kon je hier en daar
een ijsje eten, dat was het wel. Nu zitten er overal toeristen aan
terrastafels achter een rosétje of een chique croque monsieur. De
restaurants zijn ’s avonds vol. Uit eten gaan was in de jaren
zeventig iets bijzonders. Toeristen kookten zelf in hun
vakantiehuisje of op een primus voor de tent.
Zandforten
Ik
was verslingerd aan het eiland toen ik kind was, vooral aan de
brede, bijna verlaten stranden. Nauwlettend bestudeerde ik aan de
muur van het VVV-kantoor de eb- en vloedtijden. Want mijn grootste
hobby was zandforten bouwen met mijn broertjes. En dat is alleen
leuk als het water opkomt, en de slotgrachten op een gegeven moment
vollopen. Al snel stonden we het water op Schier komt razendsnel
op met onze scheppen bezweet ons ommuurde eilandje te verdedigen
tegen de zee. Het strand lag inmiddels twintig, dertig meter
verderop waar mijn moeder driftig stond te zwaaien dat we
onmiddellijk uit het water moesten komen.
Op Schiermonnikoog leerde ik als klein jongetje fietsen, op een
schelpenduinpad. Tijdens mijn eerste afdaling van een duin belandde
ik in de braamstruiken, omdat mijn moeder vergeten was uit te leggen
hoe je moet remmen. Ik speelde in bunkers uit de Tweede Wereldoorlog
oorlogje met echte Duitsers, zij het dat ze pas een jaar of vijf
waren. En met het Het Beste Vogelboek in de hand leerde ik alle
strandlopers en eenden onderscheiden. Schiermonnikoog was mijn
paradijs.
Verveling
Maar toen ik ouder werd, sloeg de verveling toe. Bij slecht weer zat
ik met de hele familie binnen rond de tafel, vaak zo’n ding met een
glazen plaat waaronder zand en schelpen liggen. En strandweer was
het sommige zomers zelden, zeker omdat het op Schier doorgaans drie,
vier graden kouder is dan in het binnenland en het er altijd waait.
Blasé trapte ik met mijn broers in de motregen een balletje over het
dak van het vakantiehuis. En we scholden op mijn ouders omdat we
niet naar Zuid-Frankrijk gingen in de zomer zoals ‘normale mensen’.
Iedere bocht in ieder fietspad op het eiland kende ik. En
duinkonijntjes en fazanten vertederden me al lang niet meer.
Tijdens mijn laatste zomer op het eiland was daar gelukkig Jef, de
zoon van de eigenaar van ons huisje. Hij was negentien, een jaar of
drie ouder dan ik, en gaf me surfles op het Noordzeestrand. ‘Zeg’,
zei Jef met een shaggie tussen zijn lippen op een dag tegen mijn
moeder. ‘Zal ik die jongen vanavond eens meenemen naar de Toxbar?’
Ik sprong op. Maar mijn moeder zei beslist: ‘Komt niets van in.’ Het
was voor mij de druppel, ik begon Schiermonnikoog te haten. En de
naam Toxbar ben ik nooit meer vergeten, die kreeg een magische
klank.
Prachtige wildernis
Met
onze gehuurde fietsen rijden we over het eiland. Hard zonlicht
weerkaatst op de wit-grijze schelpenpaden, de dichtgroeiende
zandvalleien en de grijze, stekelige duinstruiken. Schier is een
prachtige wildernis. Maar wat is het klein. Binnen twintig minuten
zijn we vanuit het dorp naar het verst weggelegen punt gefietst: de
Kobbeduinen. Hier beginnen de waddenmoerassen, waar je in mijn
herinnering tot aan je middel in kunt wegzakken en steekvliegen je
continu belagen. Het gebied blijkt nu helaas niet toegankelijk, want
het vogelbroedseizoen duurt nog een week. We fietsen alle overige
paden van het eiland af. In een middag hebben we ieder plekje wel
gezien: van de drooggevallen waddenkust tot het lelijke Berkenplasje
en de vuurtoren.
Brede stranden
De stranden breed waren ze altijd al zijn nog veel breder
geworden. Voor een deel zijn ze bedekt met waddenachtige smurrie, en
je ziet nieuwe duinen op het strand geboren worden: plukjes helmgras
die wortel schieten en vervolgens het rondstuivende zand vasthouden.
Schiermonnikoog groeit, zowel in het westen als in het oosten wordt
het eiland steeds groter. De zee is te voet bijna niet meer
bereikbaar. Aan het belangrijkste strand, het Badstrand in het
noorden, is het een kwartier lopen voordat je de waterlijn bereikt.
Bij de andere stranden is het water nog veel verder weg. Het hotel
aan het einde van de Badweg staat feitelijk al lang niet meer aan de
kust. Eigenlijk zouden ze de asfaltweg twee kilometer moeten
doortrekken, maar dat zal wel nooit gebeuren.
Straatartiesten
We
fietsen terug naar het dorp. Dat verkeert inmiddels in
feeststemming. Straatartiesten vermaken de toeristen op de
terrassen. Cabaretier Gerard Wortel krijgt slechts wat gedempte
lachers op zijn hand in café It Aude Beuthűs. En in restaurant Tante
Zwaantje waar wij eten pas vanaf een uur of negen is er plaats
is het helemaal feest. Meisjes en jongens met gitaren zingen
liedjes. ‘We zijn van de Horinzontour’, vertelt een van de
artiesten. ‘We trekken alle Waddeneilanden langs, dit jaar zijn we
voor het eerst ook op Schiermonnikoog.’
Wat begon met Oerol op Terschelling is ’s zomers vaste prik geworden
op alle Wadden. Overdag maak je als toerist een fietstochtje en zit
je met een biertje op het terras, ’s avonds laat je je vermaken door
straatartiesten, grappenmakers en muziekgezelschappen. Met enige
weemoed gaan mijn gedachten terug naar de vogelaars en ecologische
gelovigen die in mijn jeugd de eilanden bevolkten. Waar zijn ze
gebleven, de natuurmensen die naakt met bungelend geslacht het
gebied achter de Kobbeduinen introkken om een te worden met de
dieren, planten en elementen? Die om zes uur ’s ochtends met hun
verrekijker de vloedlijn aftuurden?
De Toxbar
Als
de grappen van Gerard Wortel echt beginnen te vervelen, lopen we nog
even naar de Toxbar, die magische naam uit mijn puberteit. Verf
bladdert langzaam van de gevel, ervoor staan wat terrasstoeltjes.
‘Pannetje soep’, staat er in grote letters geschreven, en ‘sorbet’s’.
Ik tuur door de ramen naar binnen. Drie jongens hangen rond een
tafeltje, twee meisjes bewegen wat op de dansvloer. Verder gebeurt
er weinig, half twaalf zaterdagavond hoogseizoen. Ik geeuw en we
keren terug naar mevrouw Westerhof.
Plaatselijke visboer
De
volgende dag lopen we naar de piepkleine brandweerkazerne van het
eiland. Iedere dag rijdt de plaatselijke visboer hiervandaan met
zijn trekker en forse aanhangwagen met toeristen naar het meest
oostelijke puntje van het eiland: de Balg. Op de Balg woont niemand
en is niets te zien behalve zand. Toen ik een jaar of vier was zat
ik voor het laatst in de Balg-expres. Het regende toen en de wagen
kwam vast te zitten in de zanderige blubber. Mijn jonge moeder een
meisje dat tien jaar jonger was dan ik nu ben en haar nog jongere
zusje moesten eruit om te helpen duwen.
Al treffen we vandaag de slechtste dag van deze julimaand het is
bewolkt en maar 22 graden het weer is nu toch stukken beter dan
toen. En dus trilt de grote vissenkom waarin we zitten gemoedelijk
achter het tractortje over de strandribbels. Het landschap wordt
ruiger en ruiger. De duinen in de verte verdwijnen, we rijden door
snelstromende strandrivieren; het verschil tussen land, blubber en
ondiep water is op een gegeven moment nauwelijks nog te zien. Dan
stoppen we.
Een dun grijsgeel gordijn van stuivende zandkorrels trekt sonoor
over de vlakte. Het einde van de wereld, zegt iemand. Dat einde van
de wereld ligt inmiddels zes kilometer oostelijker dan jaren
geleden, meldt de visboer. De commissarissen van de koningin van
Friesland en Groningen hebben vorig jaar hun provinciegrenzen zelfs
moeten herzien, om te voorkomen dat Schiermonnikoog deels op
Gronings grondgebied zou belanden.
Zeehonden
In
de verte op een zandplaat zie ik honderden zwarte stipjes. Ik mag
door de verrekijker van mijn buurman kijken. ‘Zeehonden’, juich ik.
Nooit eerder in al die zomers van mijn jeugd had ik een glimp van ze
opgevangen. En nu honderden tegelijk. ‘Kijk’, roept een vrouw. Vlak
voor ons steekt een zeehond zijn kop op uit zee. Even verder weer
een. Vervolgens houdt het niet meer op. Schiermonnikoog ik ben je
twintig jaar ontrouw geweest maar je bent opnieuw mijn paradijs,
fluister ik.
Maar als we terughobbelen in de Balg-expres en het zelfs begint te
regenen, realiseer ik me dat ik de afgelopen 24 uur eigenlijk alles
wel gezien heb. ‘Over anderhalf uur vertrekt de eerstvolgende boot
naar het vasteland, zullen we die maar nemen?’, vraag ik voorzichtig
aan mijn reisgenoot.

terug naar overzicht van verhalen
naar bovenzijde pagina
|
|