|
|
naar bovenzijde pagina
naar bovenzijde pagina
|
Schiermonnikoog
na 1813
In 1813, na het herstel van de onafhankelijkheid, werd in
Friesland teruggekeerd naar de oude indeling in steden en
grietenijen. Schiermonnikoog werd een grietenij. In naam bleef het
een vrije heerlijkheid.
In 1814 werd geregeld dat in de voormalige heerlijkheden de
voormalige heren of hun rechtsopvolgers het recht kregen om personen
voor te dragen voor de ambten van schout en secretaris. De
rechterlijke organisatie uit de Franse tijd bleef gehandhaafd.
In het 'Reglement voor het bestuur der grietenijen
of districten ten platten lande in Friesland'
uit december 1817 werd bepaald dat de Heer van Schiermonnikoog
alle voorrechten zou genieten zoals genoemd in de regeling van 1814.
Uitvloeisel van deze bepaling is dat op voordracht van de eigenaren
(Johan V Stachouwer voor een derde en Edzard Tjarda van Stakenborgh
Stachouwer voor twee derde) de eerste werd benoemd tot grietman in
1816.
Vaker werd als gevolg van het Reglement er een grietenijraad
ingericht, bestaande uit de grietman als president en zes tot negen
ingezetenen. Uit deze raad werden dan weer twee of drie assesoren
benoemd voor de uitoefening van bepaalde administratieve taken. De
leden van de grietenijraad werden gekozen door gedeputeerde Staten
uit een voordracht van de stemgerechtigde ingezetenen. Daarnaast
functioneerden een secretaris, benoemd na een voordracht van de
eigenaren en een gemeenteontvanger.
De grietman oefende het bestuur en oppertoezicht uit op alles wat
betrekking had op de handhaving van bestaande keuren, reglementen en
verordeningen en was belast met de handhaving van orde en
veiligheid.
Bij de grondwet van 1848 werd een einde gemaakt aan het recht om
personen voor te dragen voor openbare betrekkingen. Overeenkomstig
de gemeentewet van 1851 werden grietman en assesoren vervangen door
burgemeester en twee wethouders.
De eigenaren van Schiermonnikoog bleven alleen de grondeigendommen
en de daaruit vloeiende inkomsten behouden. Al eerder waren zij een
deel van hun inkomsten uit gestrande goederen kwijtgeraakt. Hun
uitgaven in het onderhoud van school, kerk, pastorie en rechthuis
waren in de periode 1822-1827 ook al gestopt. Ook bijdragen in de
kosten van bestuur werden in 1848 stopgezet.
Eigendomsrechten naar mr. J.E. Banck te Den Haag
In 1858 werden de eigendomsrechten op het eiland van de beide
eigenaren (Edzard Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en Gratia Susanna
Stachouwer) verkocht aan mr. J.E. Banck te Den Haag.
Banck ontplooide
initiatieven om het verwaarloosde eiland in een betere toestand te
brengen, onder meer door helmaanplant, maar vooral door het
aanleggen van een dijk aan de wadkant om zo de afbrokkeling van het
eiland tegen te gaan. Hierdoor werd teven het dorp beschermd en kon
een vierhonderd bunders groenland ingepolderd worden. In deze
Banck's polder werden in de loop van de tijd zeven boerderijen
gebouwd, waarvan de eerste, 'De Oorsprong' als een soort
modelboerderij door Banck werd geëxploiteerd. Banck stelde tevens
een rentmeester aan ter behartiging van zijn belangen als
grondeigenaar. Deze Nicolaas Johannes van den Worm werd in 1861 ook
benoemd tot burgemeester.
Vuurtorens en kerk
In 1854 werden twee vuurtorens gebouwd ter vervanging van drie kapen
en in 1866 werd een nieuwe kerk gebouwd ter vervanging van het 18e eeuwse kerkgebouw.
Bootdienst
Banck begon met de exploitatie van Schiermonnikoog als zeebadplaats.
Er werd gezorgd voor een schip waarmee tweemaal per week een dienst
Groningen-Schiermonnikoog werd onder onderhouden. De badgasten
konden terecht in een in 1887 gebouwd badhotel.
H.A.B.
Graf von Bernstorff
John Eric Banck verkocht op zijn beurt in 1892 het eiland aan H.A.B.
Graf von Bernstorff. Deze wilde het westelijk del van het eiland
ontwikkelen tot een deftige zeebadplaats. De plannen daartoe zijn
nooit tot uitvoering gebracht. Wel kwam het badhotel in zijn bezit.
In 1900 verkocht hij het eiland aan een zekere Schiff, grondbezitter
in München. Deze wilde het eiland als zeebadplaats exploiteren.
Echter, moeilijkheden over betalingen door Schiff aan Von Bernstorff
en het feit dat Von Bernstorff niet het gehele eiland in bezit had
(de Staat der Nederlanden had eigendomsrechten op de rede in het
zuidwesten en in de duinen en het strandgebied'), waardoor Schiff
meende zijn plannen niet tot uitvoer te kunnen brengen, leidde
uiteindelijk tot rechtszaken met als uitkomst dat de
koopovereenkomst ontbonden werd verklaard.
Eerste veerdam
Von Bernstorff verkocht daarop in 1906 zijn Schiermonnikoger
bezittingen aan zijn zoon, G.E.A. Graf von Bernstorff. Deze zorgde
onder meer voor de aanplant van dennenbossen op het eiland en droeg
financieel bij in de aanleg van de eerste veerdam in de jaren
1925-1927.
Vanaf 1920 zijn er pogingen geweest door de Nederlandse overheid om
Schiermonnikoog te kopen van de graaf ten behoeve van het behoud van
het eiland. Later vormden motieven op het gebied van landaanwinning
redenen tot pogingen van aankoop. Bij pogingen bleef het want,
hoewel Von Bernstorff wel wilde verlopen, kon men het niet eens
worden over de prijs.
Na de Duitse bezetting
Na het overlijden in 1939 van G.E.A. Graf von Bernstorff, ging
Schiermonnikoog in bezit over aan zijn zoon Graaf Becholt Eugen von Bernstorff.
Na de Duitse bezetting van het eiland op 11 juni 1945 ging het
eiland als vijandelijk vermogen in eigendom over op de Staat der
Nederlanden. Pogingen van Von Bernstorff om teruggave van zijn bezit
zijn niet gelukt.
In maart 2007 overleed Gravin Ursula von Bernstorff, de weduwe van
Graaf Becholt Eugen von Bernstorff. De Gravin kwam elk jaar nog zo'n
twee maal op 't eiland.
>
Terug naar beginpagina website
naar bovenzijde pagina
>
Nog meer 'snuffelen' in het archief van het Streekarchief? Klik
hier.
Schiermonnikoog
1860
|
pagina 1
pagina 2
pagina 3
pagina 4
|