|
Hieronder een gedicht uit de tijd
(1979) dat de spellingswijze van de eilander taal
nog niet was vastgesteld. Tussen de haakjes staat de
juiste
spelling van woorden die in de nieuwe spelling
anders zijn. Met dank aan David Kooistra.
Hest
De hesttyd is wier yn it laun (hesttiid)
Mooi kille nooijiersflagen;
De son krúpt bytyds in har nast; (bytiids)
Wat kostje al da dagen! (dà)
De fjilden leze daidsk en kail,
De dúne stil, felatten; (ferlatten)
De wolken, grau en sfier fan focht,
Komme mair en mair opsatten.
De starm jage launs it straun;
De barometer sôke;
De mieuke sikje haastich schúl; (mieuwke)
De brauning raast en kôke.
Gin mone oon de tjost're loft;
Gin stier is to bekinnen; (tò)
De ryn en hagel stetse dal
En kletterje op de stinnen.
It seemanswyf heat nooi de wiin, (heert)
Dy't yn de schastien speuke;
En tinkt ho't starm en wylde see (hò’t)
De airme schiipe beuke
Maist leit se wetjen op har bed;
Ach, wes it weer maar batter!
Want man en heit drieut fier fan hús (drieuwt)
Op 't wúelich, schúmjend watter.
It seemanslivven faalt net mooi,
Heer 'k faak fan deez'en gene; (dees’en)
Nee, 't daag'liks braid wedt deze tiid
Wal dúbbel sieur fetjene. (sieuwr)
Maar yn de lete after 't dún,
Ho starm en see aik bromme,
Leit fredich 't darp en wachte oof
Tot batt're tiiden komme.
Uit: 'Schiermonnikikeiger lôzbúek'
van D. Fokkema (1979)
|

Herfst
De herfsttijd is weer in 't land
Met kille najaarsvlagen;
De zon kruipt bijtijds in haar nest;
Wat korten al de dagen!
De
velden liggen doods en kaal,
De duinen stil, verlaten;
De wolken, grauw en zwaar van vocht,
Komen meer en meer opzetten
De
storm jaagt langs het stand;
De barometer zakt;
De meeuwen zoeken haastig schuil
De branding raast en kolkt.
Geen
maan aan de duistere lucht;
Geen ster is te bekennen;
De regen en hagel storten neder
En kletteren op de stenen.
De
zeemansvrouw luistert naar de wind,
Die in de schoorsteen spookt;
En denkt hoe storm en wilde zee
De arme schepen beuken
Meest
ligt ze wakker op haar bed;
Ach, werd het weer maar beter!
Want man en vader drijft ver van huis
Op het woelig, schuimend water.
Het
zeemansleven valt niet mee,
Hoor ik vaak van deze en gene;
Nee, het dagelijks brood wordt deze tijd
Wel dubbel zuur verdiend.
Maar in
de luwte achter 't duin,
Hoe storm en zee ook brommen,
Ligt vredig het dorp en wacht af
Tot betere tijden komen.
|