Maak uw keuze

   home

   
  accommodaties
   
    geschiedenis
   
    dorp/bereikbaarheid
   
   bezienswaardigheden   
    vredenhof - bunker wassermann
    vuurtoren -  bezoekerscentrum -
    jachthaven - schelpenmuseum -
    walviskaken - de eendenkooi
   
    nationaal park
   
    bezoekerscentrum
 
   excursies
   
    landschappen/natuur
     wad - polder - westerplas -
     bos - kwelder - duinen -
     strand
   
    activiteiten
   
  verhalen
   
   taal
   
  •  kunstenaars
    en 't eiland
   
    
   
    links / © 2011
   
    mail webbeheerder
   
    inhoudsopgave site
 


terug naar overzicht
van verhalen

 Klik voor website van Yorien
Het begin van 'een nieuwe lente...'
Herinnering aan Schiermonnikoog 1975    


Door Yorien v.d. Hombergh
© 2006

Hoewel Schiermonnikoog niet groot is, fietsten wij er heel wat af. Als een zwerm spreeuwen bewogen we ons over het eiland. Naar het dorp voor macaroni, augurken, tomatenpuree en kilo’s gehakt. Door de duinen met badhanddoek én regenpak onder de snelbinders, want je wist tenslotte maar nooit. Terug naar de kampeerboerderij, waar onze slaapzakken in het stro allemaal naast elkaar lagen uitgespreid. Dan gezamenlijk naar de enige discotheek die het eiland rijk was. En uren later ook weer terug.

Tegenwoordig beschikt een kampeerboerderij al gauw over stapelbedden, meubilair en warme douches. De onze toen nog niet.

Het was een kampeerboerderij in de ware zin van het woord. De eigenaar had de koeien bij wijze van spreken nog maar net uit de stal gejaagd, de mest opgeveegd en wat schoon stro langs de kanten gelegd. In het midden van de stal had hij op het beton een lange houten tafel neergepoot, met dito banken. Dat was het wel zo’n beetje. De dichtstbijzijnde douches vond je bij een camping verderop. Twee grote gasbranders waarop gekookt moest worden, stonden veiligheidshalve in een ander gebouw.

Het was ons desondanks allemaal comfortabel genoeg. We kwamen er ten slotte alleen maar om te eten en te slapen. De rest van de dag fietsten we of hingen we rond bij de snackbar of op het strand.

Allemaal waren we vijftien, behalve de twee leraren, die we mee hadden gevraagd omdat we anders van onze ouders geen toestemming kregen. Beide leraren waren trouwens hooguit  tien jaar ouder dan wij. We noemden ze Dick en Anja en vergaten dat ze leraren waren. Ze fietsten gezellig met ons mee.

Het was natuurlijk de bedoeling dat we netjes twee aan twee fietsten, maar dat deden eigenlijk alleen de meisjes. De jongens haalden liever stunts uit: een eindje op één wiel of met losse handen, springend van stoeprand naar stoeprand, wedstrijdje tot aan de dijk, slippen in de bocht, piepend remmen, je kent het wel. Wij lieten ons als meisjes maar al te graag imponeren.

Toen we weer eens op weg waren van het strand naar de snackbar, kwam Wouter naast mij fietsen. De overige jongens bleven verder stunten, maar hij hield speciaal zijn vaart voor mij in. Daarna fietsten wij getweeën verder, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

“Ik rij nou al een hele tijd achter jou. Nu wil ik je wel eens van opzij zien,” zei hij.

Ik keek hem geschrokken aan. Wie wou er nou naar míj kijken? Dat ik wel eens naar hem keek, was iets heel anders. Hij was een aantrekkelijke jongen, populair in de klas, middelpunt van de aandacht en van meisjesdromen, waaronder de mijne. Het hoogste woord tijdens politieke discussies, de lachers op zijn hand. Iedereen keek eigenlijk naar hem. Dat deed je gewoon altijd.

Maar nu keek hij opeens terug, terwijl mijn haar in de wind wapperde en er een paar zweetdruppeltjes langs mijn slapen kriebelden omdat we zojuist tegen een duin op geklommen waren en ik mijn plastic regenjas nog aanhad. Hij had een geweldige conditie, want hij praatte honderduit zonder buiten adem te raken, terwijl ik mijn best deed om niet al te hijgerig te klinken. We praatten en we fietsten en na een poosje lachten we allebei tegelijk. Toen brak de zon door.

“Even stoppen, ik doe mijn regenjas uit,” zei ik. Hij stopte ook. Links en rechts werden we ingehaald door joelende klasgenoten. Ik propte mijn regenjas bij mijn handdoek onder de snelbinders en wou weer opstappen. Wouter hield mij tegen.

“Ik vind jou een leuke meid,” zei hij.

Sinds dat moment week hij geen moment meer van mijn zijde. We aten samen patat uit één bakje en draaiden shaggies voor elkaar. ’s Avonds fietsten we terug van de discotheek naar de boerderij; ik met zijn jasje aan en hij met mijn sjaal om. Hij legde zijn slaapzak naast de mijne in het stro en pakte mijn hand.

Zo sliepen we in, hand in hand. Elk met dezelfde droom.
Het was het begin van een nieuwe lente.

* Voor de website van Yorien: klik hier



terug naar overzicht van verhalen         naar bovenzijde pagina