Regen
In de stromende
regen legt de boot aan op Schiermonnikoog en gierend van het
lachen rennen mijn vriendinnen en ik naar de bus om even later
als drie verzopen katten naar ons logeeradres te rijden.
In de zes jaar dat we hier komen hebben we dit nog niet
meegemaakt, het lijkt wel of de hemel alle sluizen heeft
opengezet.
Vaste kern
Op ons logeeradres
staat de koffie al klaar en het onthaal is hartverwarmend. We
zijn weer snel vertrouwd met elkaar. Het is een weerzien van
oude bekenden en al snel worden er herinneringen opgehaald. Maar
ook is het even stilstaan bij het overlijden van Lies, de oudste
van ons groepje. Sommigen van ons komen hier al meer dan 20
jaar, er zijn vriendschappen ontstaan, er zijn mensen bijgekomen
en mensen weggebleven, maar een vaste kern is er altijd geweest.
De volgende
ochtend valt er een druilerig regentje en we ontbijten in alle
rust. Halverwege de ochtend is het droog en de lucht kleurt hier
en daar blauw. Ik trek mijn regenjas aan en neem voor alle
zekerheid een paraplu mee.
Helemaal
alleen
Ik loop richting het Rif. De eerste dag op Schier is voor mij
alleen, het is een rust zoeken, bezinning, tot mijzelf komen.
Iedere keer als ik over de dijk het Rif op loop overvalt me
stilte en de schoonheid van deze plek. Het ontroert me. Helemaal
als juist op dat moment de zon doorbreekt. Ik laat het
jachthaventje links liggen en loop het pad op, ik loop er
helemaal alleen, zie ik.
Het melkkruid begint te bloeien. Volgens de plantengids een
zeldzaam plantje maar dat kun je niet geloven als je ziet
hoeveel er hier te vinden is. Er groeit zeepostelein, zeeraket
en rode en groene wieren, sommige zo klein en nietig dat het
niet meer dan draadjes lijken.
Verderop lopen mensen. Het stoort me dat ze van het pad zijn
afgegaan. Ze vertrappen de vegetatie en verstoren de rust van de
vogels.
Vogels en
wind
Het enige geluid dat ik hoor zijn de vogels en de wind. In de
verte zie ik het vasteland en ik zie zeilschepen voorbij
glijden, witte, bruine. Af en toe sta ik stil om het moois en de
rust op me in te laten werken.

Al genietend loop ik zo om de westpunt en dan strekt plotseling
het immens brede strand zich voor me uit. Het is laag water en
de ruimte is enorm. Ik sta weer even stil en sluit mijn ogen.
Het is alsof de zon mijn wangen kust en de wind door mijn haren
woelt. Het voelt bijna als bemind worden.

Ik loop verder over het strand. Het water heeft, samen met wier,
prachtige tekeningen achter gelaten in het zand. Iedere dag weer
nieuwe. In de verte, achter de zandbanken, zie ik de
schuimkoppen van de Noordzee en op de zandbanken de zeehonden.
Ze liggen te luieren in de zon. Op dat moment realiseer ik me
dat ik mijn verrekijker thuis heb laten liggen. Jammer. Ik zou
dichterbij de zeehonden kunnen komen maar ik wil hun rust niet
verstoren. Dus blijf ik op afstand.

Strandlopertjes rennen af en aan, grappige vogeltjes, ze zijn
heel klein maar verplaatsen zich razendsnel. Meeuwen vliegen al
krijsend boven me. Ik zie een Jan van Gent en nog meer vogels
waarvan ik de naam niet weet.
Bewoonde
wereld
Verder lopend op het strand wordt het drukker. Ik kom langzaam
aan weer in de bewoonde wereld en weet dat de rust nu voorbij
is. Ik zie vaders met kinderen die aan het vliegeren zijn,
wandelaars, zonzoekers. Ik zie de eerste strandtent. Het is
gedaan met de stilte. Het is goed.
Ik verlaat het strand en sla de Badweg in naar het dorp. Ik wil
de rust van deze ochtend nog even vast houden. Op een stil
terras strijk ik neer. Mijn maag vraagt om eten en ik besluit om
uitgebreid te gaan lunchen.