Maak uw keuze

   home

   
  accommodaties
   
    geschiedenis
   
    dorp/bereikbaarheid
   
   bezienswaardigheden   
    vredenhof - bunker wassermann
    vuurtoren -  bezoekerscentrum -
    jachthaven - schelpenmuseum -
    walviskaken - de eendenkooi
   
    nationaal park
   
    bezoekerscentrum
 
   excursies
   
    landschappen/natuur
     wad - polder - westerplas -
     bos - kwelder - duinen -
     strand
   
    activiteiten
   
  verhalen
   
   taal
   
  •  kunstenaars
    en 't eiland
   
    
   
    links / © 2011
   
    mail webbeheerder
   
    inhoudsopgave site
 


terug naar overzicht
van verhalen

Verhaal van Nicolette Hartong
 Uit: Op lemen voeten 2005, nr. 5

Uitgerust met dagrugzak en de broek in de laarzen lopen we via het Kerkelaantje het dorp uit langs Herberg Rijsbergen, een groot pand in herenhuisstijl. Aan verhalen en informatie voor vandaag geen gebrek.

Rijsbergen is gebouwd in 1757 als zomerresidentie van de De Stachouwers uit Amsterdam. Zij waren van 1640 tot 1858 de eigenaren van het eiland. Het Kerkelaantje was speciaal voor de adel aangelegd naast de kerk, een haag aan beide zijden, voeten zonder blauw bloed mochten het pad niet betreden. Ook was voorzien in een eigen ingang naar de kerk en zat de adel binnen in de kerk letterlijk hooggeplaatst.

De eigenaren daarná hadden het wat minder hoog in hun bol. Ze staken op hun manier de handen uit de mouwen, plantten helmgras om de zandverstuivingen tegen te gaan, zodat de duinen daar bleven liggen waar ze waren. Ze zorgden ervoor dat het eiland minder vaak overstroomd raakte door dijken aan te leggen.

Het eiland had enorm te lijden van kustafslag aan de westkant. De buurtschappen Westerburen, Oosterburen, Dompen en Binnendijken zijn in de achttiende eeuw in de golven verdwenen.

Het eiland was als laatste in Duitse handen, in die van Von Bernstorff. Tot op heden wordt de confiscatie door de Nederlandse staat van het eiland direct na WO II betwist. Niet zo zeer door nog levende nazaten als wel door juristen die in Schiermonnikoog een interessante ‘casus’ zien.

Gestolde golven

Tot mijn verbazing lopen we via de noordkant van het dorp zomaar de duinen in, dwars erdoor en eroverheen, niet gehinderd door paden. Dat mag dus hier. Vrijwel nergens langs de Nederlandse kust kan dat legaal, omwille van ’s lands belang, de kustverdediging. Maar op Schiermonnikoog wel, met uitzondering van het broedseizoen. Voor Arend is het de uitdaging van de dag zo min mogelijk over fietspaden te gaan, waar je als wandelaar van je sokken wordt gereden.

Over auto’s hebben we het niet, want dit eiland is goeddeels autovrij. Een waar paradijs voor wandelaars. Ginds, achter ons, voor ons en opzij, buldert en rommelt een kabaal van jewelste. Het is de bulderende zee, de Noordzee. Het bulderen is een deel van de rust van het eiland. Net als de krijsende en gakkende vogels.

Arends hand glooit mee met de vormen van de duinen: “Duinen zijn gestolde golven”. Over mossen, korte grassen en tussen berkenstammetjes door komen we bij de Prins Bernhardweg. “Moffenpad noemden de eilanders die eerst. Deze is aangelegd in WO II door de Duitsers. Het ging naar het bunkerdorp verderop.”
Die bunkers zijn er nog, bij de hoogstgelegen bunker
Wassermann heb je een adembenemend uitzicht. Om die bunkers aan te leggen en te bevoorraden legden de Duitsers een smalspoor aan, vanaf de oude veerdam, waar nu de jachthaven is. Het smalspoor ging over de Reddingsweg, maar die was veel te drassig. Poging twee werd toen het Moffenpad.

Wij pakken het oude spoor op dat slingert richting oorlogsbegraafplaats
Vredenhof. Net daarvóór staan onopvallend zeven metalen kruizen, klein, links en rechts in het zand tussen boompjes. Arend: “Drenkelingen van een Zweeds zeilschip dat in 1863 strandde op Simonszand. Eerst werden ze in het zand van de duinen begraven, iets verderop. Maar bij een hevige storm spoelden de lijken weer vrij. Ze zijn daarna herbegraven achter het stuifduin hier. In de vijftiger jaren zijn ter nagedachtenis deze kruizen geplaatst.”

Door de eeuwen heen spoelden allerlei lichamen aan, die liggen veelal begraven in de Lykendúnen, wat dichter bij het dorp; soms ook wel aan het strand. Eilanders zorgden goed voor hun drenkelingen. Vooral vanuit bijgeloof. Want wat gebeurt er wanneer je een dode niet goed begraaft? Zijn geest doolt eeuwig rond en achtervolgt de eilanders.

Juttersvirus

De Reddingsweg is een wandelpad. De helft van het jaar staan delen blank. We volgen daarom de iets hoger gelegen droge-voeten- paadjes. Een bord “fietspad” staat verloren in een vlakte van water. Het water van de Waddenzee dringt soms tot hier binnen. Behalve als smalspoor deed het pad dienst als uitval voor de reddingsboot richting Noordzee. Tot begin jaren twintig vorige eeuw was het een roeireddingsboot, die bij storm en ontij naar zee werd getrokken door tweemaal drie paarden. Rechts en links van het pad staan nu hoge rietkragen. Niet zo heel lang geleden werd hier nog jongvee geweid en bloeiden er rijkelijk orchideeën.
Nu niet meer. Eigenaar Natuurmonumenten laat de natuur de natuur, daar past vee niet altijd meer bij. Niet alle eilanders zijn blij met die opvatting van hun ‘natuur’, want ze vonden die orchideeën fantastisch. Je moet weten dat eilanders zich niet graag de les laten voorschrijven op hun eiland. En wat vroeger al goed was, is dat nu toch ook nog? Wel zien we raar genoeg her en der appelbomen zo maar tussen berkenboompjes en duindoorns in. Afkomstig van appelkroosten en de pitten, verspreid door vogels.



Eilanders ‘jutten’ in september op hun ‘eigen’ appelbomen. Een eilander oogst liefst alles wat er van zijn eiland komt. Jutten zit eilanders in het bloed. Arend is slechts een amateur-jutter. Hij is ook pas sinds 1991 eilandbewoner. Een echte jutter komt zijn verwarmde vierwiel-aangedreven auto op het strand nauwelijks nog uit. Arend loopt, hij jut te voet. Maar het juttersvirus heeft hem wel te pakken.

Bovenop de Stuifdijk is hij even Arendsoog. Die spiedt het strand af naar aangespoelde voorwerpen. Verder houdt hij de sporadische mensen op het oneindig brede strand in de peiling. Toeristen zijn ongevaarlijk. “Andere jutters zijn herkenbaar aan hun loopgedrag, ze zijn altijd alleen en ’t zijn smeerlappen”, zegt hij breeduit lachend.

“De lol van het jutten is die van een jachthond. Je sleept en trekt iets net zolang mee en ziet hoe dan ook dat je het thuis krijgt. Eénmaal daar hoef je er niets meer mee. Jutten doet een appél op je verbeelding. Je ziet iets, dat wordt op afstand vergroot, wat zou het zijn? Je fantasie slaat op hol. Je móet zien wat dat ene ding daarginds is, je weet maar nooit, misschien de vondst van je leven! Je gunt het de ander niet en dan zeg je dus niet, daar heb ik even geen tijd voor. Jutten is tijdloos.

”Slimmer zijn dan een ander, dat is ook jutten. Er is er één hier die luistert naar de radio, hoort waar schepen in moeilijkheden zitten. Hij bekijkt en berekent de stroming en rijdt daarheen waar het materiaal zal aanspoelen om het dan alleen nog in ontvangst te hoeven nemen. Jutten is een prachtspel!” De lopende jutter is een kruimeljutter. Arend dus. Maar niet waar we nu aankomen: het gat in de duinen achter paal tien, waar het zeewater bij ‘dik tij’ in- en uitstroomt, daar kunnen de autojutters niet komen. Dit is het rijk van Arend.

Natte sok


Met nog het gebulder en de zeewind in onze oren dalen we af richting de
kwelder. Eerst een natte grasvlakte met hier en daar een duintopje met wat duindoorn. Een aangespoelde tv laten we liggen. We kruisen een pad dat naar het Willemsduin gaat, aan de oostpunt. Het is één en al waterland. Eén natte sok is het resultaat van het doorwaden van een grotere slenk. Maar het wordt laag water.

De kwelder krioelt van de meanderende stroompjes, die nu allemaal afwateren richting Wad. Het is een natuurlijk geborrel en geplons als beekjes in de bergen. Zilte geur, zoutminnende plantjes met dikke blaadjes. Eén vrij brede slenk moeten we door, geen modder maar vast zand onder de laarzen.

Bij een te diepe tweede volgen we de oever daarvan richting
Wad. Daar zien we alleen watervlaktes, maar dichtbij blijken ze niet dieper dan zo’n vijftien centimeter. Direct langs het land steekt de zeeklei van het eiland als een klif af. Tot aan de veerdam lopen we over de droogvallende zeebodem. Waar de pieren hun hoopjes zand omhoog werken en vogels in de grond peuren. De snaterende geluiden van bergeenden en het constante getuut van tureluurs vullen de lucht. Een avondzon piept tussen het wolkendek door en zet het hele Wad voor enkele minuten in een goudkleurige gloed.

Terug bij Van der Werff is de avond gevallen. Ertegenover, bij hotel Bernstorff, nog iets warms nemen voordat de bus naar de veerboot gaat. Rode konen, warrige haren, bemodderde laarzen, en geen fietser of auto gezien.

Dit is een verkorte versie van het artikel uit Op lemen voeten 2005/1 

> Voor website van Nicolette Hartong: Klik hier   

© Op Lemen Voeten | www.oplemenvoeten.nl                 

    

terug naar overzicht van verhalen         naar bovenzijde pagina